| 22641 |
met een drijftol spelen |
doppen:
/
dobbe (L270p Tegelen)
|
tollen [SND (2006)]
III-3-2
|
| 22760 |
met een priktol spelen |
doppen:
dobbe (L270p Tegelen),
Een van de meest geliefkoosde kinderspelen was wel het dobbe (met de tol spelen), wat niet alleen door de jongens, maar ook door vele meisjes met graagte werd beoefend. De dob (tol) had twee varianten: de moets en de roetefletser, (zie de afbeeldingen bij deze trefwoorden in de woordenlijst [resp. pag. 103 en 111]). Aan de roetefletser kende men de eigenschap toe, dat men er ruiten mee kon stukgooien, wat inderdaad wel vaker gebeurde.
dobbe (L270p Tegelen)
|
Het spelen met de tol. || Met de tol spelen.
III-3-2
|
| 17946 |
met grote stappen lopen |
aftreden:
ich heb vandaag hiel get aafgetraeje (L270p Tegelen),
benen maken:
B.v. dae kòs bein make.
bein make (L270p Tegelen),
doortrappen:
dourtrappe (L270p Tegelen),
treden:
trèèje (L270p Tegelen),
treden wie een landmeter:
traeje wie ne langkmoeter (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || stappen, grote ~ maken [stuppen] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20570 |
met kleine hapjes eten |
smikkelen:
sjmikkələ (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt U: Druk eten met kleine hapjes (busselen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17945 |
met kleine stapjes lopen |
dabberen:
dabbere (L270p Tegelen),
trippelen:
B.v. det trippelt wie n madam.
trippele (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34140 |
met opgeheven staart rondlopen |
biezen:
bizǝ (L270p Tegelen),
bēzǝ (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 9a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34003 |
met paard en kar rijden |
rijden:
rii̯ǝ (L270p Tegelen)
|
[JG 1b, 2c; N 8, 100; Wi 33; monogr.]
I-10
|
| 25530 |
met sterke werking |
straf:
štraf (L270p Tegelen)
|
Kwaliteitsaanduiding, gezegd van goede of buitenlandse bloem. Deze bloem stijft vlugger en neemt meer vocht op. [N 29, 16]
II-1
|
| 25101 |
met tussenpozen regenen |
bijzen:
bīēzen (L270p Tegelen),
buien:
buien (L270p Tegelen),
buuje (L270p Tegelen),
buiig:
būūjig (L270p Tegelen),
regenen met bijzen:
’t raengent mèt bieze (L270p Tegelen),
zouwelen:
zauwele (L270p Tegelen)
|
af en toe regenen [veuren] [N 81 (1980)] || regenen bij tussenpozen [buien, sjoelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 32803 |
met vollen eggen |
gaan[eggen]:
gø̜̄n[eggen] (L270p Tegelen),
in vollen [eggen]:
en vǫlǝ (L270p Tegelen),
met vollen [eggen]:
męt ˲vǫlǝ (L270p Tegelen),
met/mee banen [eggen]:
męt˱ bānǝ (L270p Tegelen)
|
Manier van eggen waarbij men na het keren de volgende egbaan niet meteen bij de vorige laat aansluiten. Men laat tussen de baan die op de heenweg geëgd werd, en de baan die men op de terugweg trekt, telkens een strook ongeëgd liggen. Die strook kan in breedte variëren. Op de volgende heenweg wordt die strook of een deel daarvan "vol" geëgd. Op de volgende terugweg laat men dan weer een strook onbewerkt. Men kan telkens één "vol" laten liggen, maar ook twee of meer; zie de afb. 74, 75 en 76. Er wordt a.h.w. in spiraalachtige ronden geëgd. Dit doet men vooral om op de einden van de akker ruimer en sneller te kunnen draaien. Het paard hoeft dan minder stappen te zetten en de eg hoeft daarbij niet omgelegd of omgetrokken te worden. Voor het werkwoordelijk deel van de meeste termen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 83; N 11A, 176b; monogr.]
I-2
|