| 22800 |
melden (kaartterm) |
melden:
melle (L270p Tegelen)
|
Roemen bij t kaartspel.
III-3-2
|
| 22802 |
melden: roem (kaartspel) |
meld:
Ich heb fieftig mél!
mél (L270p Tegelen)
|
Roem bij t kaartspel.
III-3-2
|
| 33294 |
melganzevoet |
schietmel:
šitmel (L270p Tegelen)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|
| 34237 |
melk |
melk:
męlǝk (L270p Tegelen),
mɛlǝk (L270p Tegelen)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 33882 |
melk van het paard |
paardsmelk:
pē̜rsme̜lǝk (L270p Tegelen)
|
De biest- of paardsmelk bevat ingrediënten die het veulen tegen verscheidene ziekten weerstand geven en die er bovendien voor zorgen dat het darmpek, de taaie, donkere substantie die zich in de darmen van het pasgeboren veulen bevindt (zie het lemma ''de eerste uitwerpselen van het veulen'' (5.7)), verwijderd wordt.' [N 8, 32.6 en 57]
I-9
|
| 34095 |
melkaders |
melkaderen:
mɛlkǭrǝ (L270p Tegelen)
|
De aders langs de buik naar de uier. [N 3A, 118a]
I-11
|
| 21288 |
melkboer |
melkboer:
mɛləgbuər (L270p Tegelen)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 34226 |
melken |
melken:
mē̜lkǝ (L270p Tegelen)
|
Melk uit de uiers van de koe drukken. Zie afbeelding 9. [L 38, 44; JG 1a, 1b; Wi 26; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 33778 |
melkgebit |
melkgebit:
męlǝkgebet (L270p Tegelen),
veulentand(en):
vø̄lǝtɛŋ (L270p Tegelen)
|
Tot twee en een half à drie jaar hebben de paarden een melkgebit of veulenstanden. De twee middelste snijtanden komen door in de eerste levensweek van het veulen (soms zijn ze bij de geboorte al aanwezig), binnen een maand of zes weken gevolgd door de snijtanden ernaast. De twee laatste snijtanden volgen tussen de zes en negen maanden, waarna het melkgebit compleet is. De veulenstanden zijn wit van kleur in tegenstelling tot het wat gelige vast gebit en lopen naar de basis toe in een punt uit. [JG 1a, 1b; N 8, 18a]
I-9
|
| 34079 |
melkgebit van kalveren |
kalvertanden:
kalvǝrtɛŋ (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 108a]
I-11
|