| 25524 |
meelzeef |
meelzeef:
mē̜lzēf (L270p Tegelen)
|
Zeef voor het uitzeven van de zemelen. Volgens de informant van L 291 hebben de zeven op de boerderij alle een ronde vorm met verschillende doorsnee. De rand is een gebogen spaanhout. De grove zeven zijn van vertind draad maar de fijne van koperdraad of van een fijnmazige, geruite stof versterkt met paardehaar. Fijne zeven zijn ook uitsluitend van paardehaar geweven. De informant van L 372 spreekt naast een ronde zeef ook van een vierkantige met een doorsnee van 30-35 cm. Bij het woordtype "mangel" moeten we denken aan een ander soort voorwerp dan een zeef. De informant van Q 95 geeft hierover geen uitsluitsel. Zie afb. 15. [N 29, 13c; N 29, 13b]
II-1
|
| 32759 |
meer dan een spade diep spitten |
anderhalve steek (omspaden):
aŋǝrhalǝva štēk (L270p Tegelen),
diep spaden:
dēp [spaden] (L270p Tegelen),
ondergrond losmaken:
oŋǝrgroŋk Iǫsmãkǝ (L270p Tegelen)
|
Om de ondergrond los te maken of naar boven te halen, moet men dieper spitten dan normaal. Men kan dan bij het graven van een voor op elke "bovenste" steek een diepere steek laten volgen, ofwel een gewone voor spitten om deze vervolgens dieper uit te steken. [N 11, 66; N 11A, 148c + d; N 27, 10a add.]
I-1
|
| 34229 |
meer melk gaan geven |
aankomen:
ānkomǝ (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 68]
I-11
|
| 32781 |
meerdelige eg |
koppel[eg]:
kǫpǝl[eg] (L270p Tegelen)
|
Bedoeld wordt een combinatie van twee of meer eggen van dezelfde soort en grootte, die - naast elkaar liggend en meestal onderling verbonden, met haken of korte kettingen aan een gemeenschappelijke trekbalk bevestigd zijn; zie afb. 62. Zulk een combinatie werd gewoonlijk door twee paarden getrokken. In de betrokken termen hieronder vertegenwoordigt het lid drie ook varianten van het type ''drij''. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men het lemma ''eg''. [N 11, 67 + 76; N 11A, 162a + b; N J, 10 add.; div.; monogr.]
I-2
|
| 23583 |
meerstemmige mis |
meerstemmig:
miersjtummig (L270p Tegelen)
|
Een meerstemmige mis, muziekmis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21273 |
meester |
meester:
meister (L270p Tegelen),
mɛistər (L270p Tegelen)
|
(school)meester [RND] || onderwijzer; Hoe werd voor de 2e Wereldoorlog een onderwijzer van de lagere school genoemd? [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 22496 |
meetje steken |
perkje steken:
perkske sjtaeke (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Het aantal deelnemers aan dit spel varieerde van 3 tot 8. Waren er op n gegeven ogenblik nog meer liefhebbers, dan splitste men zich in twee groepjes.
perkske sjtaeke (L270p Tegelen),
Zie aldaar.
perkske sjtaeke (L270p Tegelen)
|
[Straatspel voor geld door volwassenen, vgl. pag. 108]. || Lievelingsspel 5. [SND (2006)] || Straatspel (zie aldaar). || Straatspel voor geld door volwassenen.
III-3-2
|
| 28868 |
meetlint |
maat:
mǭt (L270p Tegelen)
|
Een oprolbaar ± 150 cm lang meetlint, vervaardigd van linnen en inwendig van koperdraad voorzien om het rekken of krimpen tegen te gaan (Gerritse, pag. 21). Zie afb. 2. [N 59, 2; N 62, 69]
II-7
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
dienstmeidje:
dēnsmɛtjǝ (L270p Tegelen),
dienstmeisje:
dēnsmɛtsǝ (L270p Tegelen),
maagd:
māx (L270p Tegelen),
māxt (L270p Tegelen)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 24582 |
meidoorn |
doornheg:
-
daöre hêk (L270p Tegelen)
|
meidoorn, vrucht (Crataegus) [DC 69 (1994)]
III-4-3
|