| 18235 |
medaillon |
medaille:
medaalie (L270p Tegelen)
|
medaille
III-1-3
|
| 23682 |
meditatie |
meditatie (<fr.):
meditatie (L270p Tegelen)
|
Een meditatie, geestelijke overweging. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21038 |
meel |
meel:
mę̄l (L270p Tegelen)
|
Het gemalen, maar nog niet bewerkte graan. Het woordtype boulté, het voltooid deelwoord van het Waalse ɛboulterɛ, ɛbouleterɛ, ø̄builenø̄, duidt er mogelijkerwijs op dat het graan in de genoemde plaatsen al een bepaalde bewerking heeft ondergaan. Zie ook het lemma ɛgemalen, niet gezuiverd graanɛ in wld II.1, pag. 85.' [Wi 53; JG 1a; JG 1b; l monogr.; N O, 37b; Sche 49; Sche 55; Vds 144; Vds 145; Vds 159; Jan 151; Jan 167; Jan 242; Coe 152; Coe 217; Grof 153; Grof 176; monogr.; Vld; Jan 9; Jan 10; Jan 11; Jan 14; Coe 9; Coe 14; N O, 24a; A 42A, 40; N D, 23; A 42A, 36 add.; N O, 19b]
II-3
|
| 25646 |
meel dat gebruikt wordt voor peperkoekdeeg |
roggebloem:
rø̜qǝblōm (L270p Tegelen)
|
[N 29, 88a; N 29, 88b]
II-1
|
| 25642 |
meel dat gebruikt wordt voor taai-taaideeg |
gebuild tarwemeel:
gebuild tarwemeel (L270p Tegelen),
weitemeel:
węjtǝn mē̜l (L270p Tegelen)
|
[N 29, 87a; N 29, 87; N 29, 87b]
II-1
|
| 24421 |
meelmijt |
korenmijt:
Veldeke (iets gewijzigd)
(kaoremiét) (L270p Tegelen),
meelmijt:
Tegelen Wb.
mael-miét (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
moelmiét (L270p Tegelen),
meelworm:
mèlworm (L270p Tegelen),
zaadmijt:
Veldeke (iets gewijzigd)
(zaodmiét) (L270p Tegelen)
|
mijt die in vochtig meel leeft [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 25478 |
meelopslagplaats |
meelzolder:
mē̜lzø̜ldǝr (L270p Tegelen)
|
De ruimte of plaats waar het meel opgeslagen wordt. [N 29, 105b; N 29, 105e]
II-1
|
| 26516 |
meelpijp, meelgoot |
meelgoot:
[meel]gø̜̄̄t (L270p Tegelen)
|
De pijp of goot onder de molenstenen waardoor het meel naar beneden komt. Zie ook afb. 83 en 84. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 24a; A 42A, 40; N D, 23; Sche 55; Vds 159; Jan 167; Coe 152; Grof 176; monogr.]
II-3
|
| 33150 |
meelschepje |
meelschupper:
mɛ̄lšø̜pǝr (L270p Tegelen)
|
Een houten vat voorzien van een steel dat diende om droog meel te scheppen. Vergelijk de lemma''s ''graanschop, schepschop'' (6.3.13) en ''graanschep'' (6.3.15). [N 18, 9b]
I-4
|
| 24422 |
meelworm, larve van de meeltor |
meelworm:
mèlworm (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
maelworm (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
’ne maelworm (L270p Tegelen)
|
meeltor-larve, wormpje dat in (oude) meelvoorraden voorkomt [meelworm] [N 26 (1964)]
III-4-2
|