| 24945 |
marmer |
marbel:
marbəl (L270p Tegelen)
|
marmer, dicht, fijnkorrelig kalkgesteente dat geschikt is om te bewerken en te polijsten, in bouw- en beeldhouwkunst als grondstof gebruikt [marbel, melber] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22739 |
marmeren beeld |
beeld:
ein marmer beeld (L270p Tegelen),
ein marmere beeld (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
ein marmere beelt (L270p Tegelen),
ein marmeren beeld (L270p Tegelen),
un marmer beelt (L270p Tegelen),
ɛ marmer beeld (L270p Tegelen),
ɛ marmere(n) beeld (L270p Tegelen)
|
Marmeren beeld. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 22440 |
masker |
mommegezicht:
Ook wel: n met vastenavond verkleed persoon.
mômmegezich (L270p Tegelen)
|
Masker met vastenavond.
III-3-2
|
| 30093 |
massieve muur |
volle muur:
vǫl [muur] (L270p Tegelen)
|
Massieve muur zonder spouw. De dikte van buitenmuren die op deze wijze werden opgemetseld, kon anderhalf-, twee- of tweeëneenhalfsteens zijn. Zie ook het lemma 'Tweesteense muur'. Massieve muren isoleerden slecht warmte en geluid. Bovendien waren ze moeilijk waterdicht te maken. Optrekkend vocht ging men tegen door regelmatig een laag asfaltpapier tussen de voegen te leggen. Zie ook het lemma 'Asfaltpapier'. Het woord '(muur)' is fonetisch gedocumenteerd in het lemma 'Muur'. [N 31, 36a]
II-9
|
| 29461 |
mast |
bal:
bal (L270p Tegelen)
|
De hoeveelheid geprepareerde kleimassa, nodig voor het draaien van één voorwerp. [N 49, 18a]
II-8
|
| 29462 |
mastenberd |
scheut:
šø̄̄t (L270p Tegelen)
|
De plank waarop de masten worden gelegd. In L 163 en L 164 werd hiervoor de walkbank gebruikt, in L 163 later bovendien ook de draaitafel, een losse tafel bij de draaischijf. [N 49, 18b]
II-8
|
| 33044 |
mathaak |
pik:
pek (L270p Tegelen),
pikhaak:
pekhǭk (L270p Tegelen)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 18414 |
matrozenpakje |
matrozenpakje:
matroĕzepekske (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
metroëze-pekske (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
matroézepekske (L270p Tegelen)
|
matrozenpakje (soort jongenskostuum) [N 26 (1964)]
III-1-3
|
| 19825 |
mattenklopper |
mattenklopper:
matəklopər (L270p Tegelen),
matəkloͅpər (L270p Tegelen),
matəkløͅpər (L270p Tegelen)
|
mattenklopper [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjjənéézə (L270p Tegelen)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|