| 33768 |
manen |
manen:
mānǝ (L270p Tegelen)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 33914 |
manenschurft |
schoftfistel:
šǫftfestǝl (L270p Tegelen)
|
Steeds terugkerende verzwering of verettering, in de maanstapel en in de oren, te wijten aan een te warme, bedompte stal en onvoldoende huidverzorging. Door schuren en wrijven onststaan kale of bloedige verdikkingen waarop korsten komen. [N 8, 90t]
I-9
|
| 33769 |
manenstrang |
manenstrang:
mānǝštraŋk (L270p Tegelen)
|
Gewelfde bovenkant van een paardenek waar de manen ingeplant zijn. Zie afbeelding 2.14. [N 8, 21 en 25]
I-9
|
| 17713 |
mannelijk geslachtsorgaan |
gemacht:
gemech (L270p Tegelen),
gemachts:
Meer m.b.t. dieren.
gemeks (L270p Tegelen)
|
mannelijke geslachtsorgaan [gemach, gemaacht] [N 10c (1961)], [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34449 |
mannelijk jong van de geit |
bokje:
bykskǝ (L270p Tegelen)
|
[N 19, 71b; N 19, 71a; N 77, 76; A 9, 21]
I-12
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
stierkalf:
stīr[kalf] (L270p Tegelen),
štīr[kalf] (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 34052 |
mannelijk kalf dat van tanden begint te wisselen |
mup:
mø̜p (L270p Tegelen)
|
Algemeen kan men zeggen dat het hier gaat om een kalf van ongeveer één jaar oud. [N 3A, 16; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 34476 |
mannelijk kuiken |
haantje:
hē̜nkǝ (L270p Tegelen)
|
[N 19, 41b; L A2, 507]
I-12
|
| 34393 |
mannelijk schaap |
ram:
ram (L270p Tegelen),
rekel:
rē̜kǝl (L270p Tegelen)
|
Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.]
I-12
|
| 24204 |
mannelijke eend |
weerd:
wīǝrt (L270p Tegelen),
wielder:
wiel’der (L270p Tegelen),
wildǝr (L270p Tegelen)
|
[GV, K 2; L 1a-m; L 3, 3; L 14, 18; JG 1a, 1b, 2c; S 18; NE II, 55; Vld.; A 6, add.; monogr.]woerd, mannetjeseend
I-12, III-4-1
|