| 32994 |
maiskolf |
kolf:
kǫlǝf (L270p Tegelen)
|
Het vruchtbeginsel van de maïsplant. In L 269a wordt het vrouwelijk vruchtbeginsel (kolf) anders benoemd dan het mannelijk beginsel (aar). Zie afbeelding 1, g, 1. [N Q, 20; monogr.]
I-4
|
| 33822 |
mak |
zinnig:
zenex (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een zachtaardig, gewillig paard. [JG 1a; N 8, 64i en 64j]
I-9
|
| 19110 |
maken |
maken:
maake (L270p Tegelen),
make (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
maken (L270p Tegelen)
|
maken [DC 02 (1932)]
III-1-4
|
| 29455 |
maler |
maler:
mālǝr (L270p Tegelen)
|
De arbeider die de klei in de kleimolen brengt en met behulp van dit toestel de klei bewerkt. [N 49, 17c]
II-8
|
| 20205 |
man |
mens:
mins (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
man [RND], [RND]
III-3-1
|
| 20154 |
man, manspersoon |
mens:
mins (L270p Tegelen)
|
man. (Bestaat er een woord voor man in de beteekenis van echtgenoot?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 18422 |
manchet |
manchet:
manchet(te) (L270p Tegelen),
mesjet (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
mesjet (manchet) (L270p Tegelen)
|
manchet, vaste mouwboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18700 |
manchetknoop |
manchetknoopje:
mesjetknöpke (L270p Tegelen),
manchettenknoopje:
mansjetteknöpkes (L270p Tegelen),
mesjette-knöpkes (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
manchetknoopjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 26825 |
mand |
mand:
maŋ (L270p Tegelen)
|
De algemene benaming voor een uit wissen gevlochten mand. Zie ook afb. 284. Uit het materiaal blijkt dat er niet altijd een onderscheid wordt gemaakt tussen de woorden mand en korf. Als dat wel wordt gedaan, duidt men met het eerste woord eerder een mand met oren aan, terwijl men het tweede gebruikt voor een mand met een hengsel (vgl. Janssens, pag. 24 e.v.). Zie ook het lemma ɛkorfɛ.' [N 20, 48; N 40, 37; L 1 a-m; S 23; monogr.]
II-12
|
| 32460 |
mandenmaker |
korver:
kø̜rvǝr (L270p Tegelen)
|
Iemand die manden en andere producten maakt van wissen. [N 40, 12; N 40, 36; monogr.]
II-12
|