| 24925 |
laag grond |
laag:
laog (L270p Tegelen)
|
laag grond [laag, scheel, bank] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 29611 |
laag klei |
laag leem:
lǭx lęjm (L270p Tegelen)
|
Kleilaag waarvan men stenen vormt, nadat de grondstof op de juiste manier is bewerkt. Het woordtype stol leem verwijst ernaar dat in Q 211 een berg in het heuvellandschap werd afgegraven. [N 98, 20; monogr.; N 98, 27 add.]
II-8
|
| 33081 |
laag schoven op de wagen |
laag:
lǭx (L270p Tegelen)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''tasser op de wagen'' (5.1.5). Voorkop is de laag op de naar voren uitstekende ladder boven het paard. [N 15, 42; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broekwei:
brōkwęi̯ (L270p Tegelen),
hooiwei:
hø̜u̯wē̜i̯ (L270p Tegelen),
zure wei:
zūr węi̯ (L270p Tegelen)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33649 |
laagliggende akker |
band:
bānt (L270p Tegelen),
laagliggend land:
lixlegǝnt laŋk (L270p Tegelen)
|
Een aantal woordtypen duiden niet zozeer op een afgebakend perceel, een akker, maar meer algemeen op laagliggende grond. [N 11, 2b]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
zak:
zak (L270p Tegelen)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
stevel:
sjteevel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjtevel (L270p Tegelen),
števel (L270p Tegelen)
|
laars || laars [bot, steevel, buus, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18359 |
laars met sluitriempje |
rijstevel:
riejsjtevel (L270p Tegelen),
riejštevel (L270p Tegelen),
stevel:
sjteevel (L270p Tegelen)
|
laars waarvan de schacht aan de bovenkant van een verstelbaar sluitriempje is voorzien [rijlaars] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18301 |
laars tot of boven de knie |
kaplaars:
kaplaarze (L270p Tegelen),
kaplèèrs (L270p Tegelen),
kapstevel:
kapsjteevel (L270p Tegelen),
laars:
laars (L270p Tegelen),
stevel:
sjtevels (L270p Tegelen),
števel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men de laarzen (die tot of boven de knie reiken)? [DC 09 (1940)] || laars waarbij de schacht het hele onderbeen bedekt [kapleers, kapsjtievel, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18374 |
laarzenschacht |
schacht:
sjach (L270p Tegelen),
sjacht (L270p Tegelen),
modern, ik noem t verbasterd, zal wel sjach zijn
sjacht (L270p Tegelen)
|
schacht van een laars [sjach, sjteevelschach] [N 24 (1964)]
III-1-3
|