| 32254 |
kwast, noest |
aast:
ǭs (L270p Tegelen),
knook:
kn ̇ǭk (L270p Tegelen)
|
Een onregelmatigheid in de houtstructuur van een boom. Kwasten ontstaan op plaatsen waar zich een tak bevindt of heeft bevonden. Zie ook afb. 204. Vgl. voor het woordtype aast ook het Hgd. Ast. [N E, 1; N 50, 76f; N 75, 97a-b; monogr.]
II-12
|
| 31933 |
kwastenboor |
aastboor:
ǭs˱bǭr (L270p Tegelen),
knokenboor:
knǭkǝbǭ.r (L270p Tegelen),
kwastboor:
kwas˱bǭ.r (L270p Tegelen)
|
Boorijzer dat in de booromslag wordt geplaatst en wordt gebruikt om kwasten uit hout te verwijderen. De kwastenboor heeft een centreerpunt om de boor te geleiden, maar het feitelijke boren gebeurt met een van snijvlakken voorziene, verticale mantel die zorgt dat er een gat met een vlakke bodem in het hout ontstaat. In plaats van de uitgeboorde kwast wordt later een houten prop geslagen. (Handboek Gereedschap, pag. 207). Zie ook afb. 77. [N G, 31f]
II-12
|
| 24880 |
kweek |
puinen:
pui’ne (L270p Tegelen),
pø̜i̯nǝ (L270p Tegelen)
|
Elymus repens (L.) Gould Zeer algemeen voorkomend hardnekkig onkruid op gras- en bouwland en op akkerranden, dat er grasachtig uitziet met een rechtopstaande aar en donker- tot grijsgroen blad. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 30 tot 120 cm. Het is een lastig kruipend onkruid met veel onderaardse wortelstokken, die wel als veevoeder gebruikt worden. De boer verwijdert het met de eg uit de akker. Deze plant is ook wel bekend onder de oude naam kweekgras of tarwegras (Triticum repens L.). Zie in verband met de vele puin-opgaven de speciale bibliografie onder Goossens 1985; 1987 en 1988, 109-126. [N 11, 71; JG 1a, 1b, 2c; A 27, 24b; A 28, 10; A 29, 6 en 9; A 33, 17; L 34, 52; L 48, 18; Lu 2, 18; Lu 4, 9; S 20; monogr.; add. uit N 11, 70, 72, 80a en 88] || kweekgras
I-5, III-4-3
|
| 19105 |
kwezel |
kwezel:
kweezel (L270p Tegelen)
|
Een bidziel, bidmens, kwezel, overdreven vrome persoon. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23736 |
kwezelachtig |
kwezelachtig:
kweezelechtig (L270p Tegelen)
|
Kwezelachtig. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17692 |
kwijl |
sloever:
Dik slijmerig mondvocht van vee.
sjlaover (L270p Tegelen)
|
Dik slijmerig mondvocht van vee
III-1-1
|
| 25338 |
kwikken, op de hand wegen |
kwikken:
het al tillend schatten van het gewicht
kwik⁄ke (L270p Tegelen)
|
kwikken, op de hand wegen
III-4-4
|
| 21668 |
kwitantie |
kwitantie:
kwitansie (L270p Tegelen),
kwitantie (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
kwitantie, bewijs van schulddelging [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 23580 |
kyrie eleison |
kyrie:
kirieje (L270p Tegelen)
|
Het "vaste gezang"aan het begin van de mis, het "Kyrie eleison". [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33324 |
l-vormige hoeve |
warsbouw:
wɛ̄rsbǫu̯ (L270p Tegelen),
warshuis:
wɛrshūs (L270p Tegelen)
|
Navraag of er verschil in benaming was tussen een L-vormig bouwwerk waarvan de korte poot wordt gevormd hetzij door het woonhuis, hetzij door een schuur of stal, leverde geen nieuwe termen op. Zie kaart 4, het Ten Geleide van deze aflevering en afbeelding 3. [N 4A, 1b en 2c]
I-6
|