| 19123 |
kunnen |
kennen:
kên’ne (L270p Tegelen)
|
kunnen
III-1-4
|
| 32624 |
kunstmest |
kunstmest:
køns[mest] (L270p Tegelen)
|
Onder kunstmest worden meststoffen verstaan, die - anders dan stalmest, compost, groenmest, gier e.d. - geen organische stoffen bevatten, maar kunstmatig, langs chemische weg bereid zijn. Van de opgesomde woordtypen lijken de meervoudsvormen de veelheid van kunstmestsoorten tot uitdrukking te brengen. Of en waar de woordtypen vette(n) en vreemde vette(n) als enkelvouds- dan wel als meervoudsvormen moeten worden opgevat, kon uit het materiaal niet worden opgemaakt. Met de typen gemengelde stoffen en alle mest ondereen wordt wellicht de zgn. mengmest of samengestelde kunstmest bedoeld, waarin zowel N (stikstof), als P (fosfor) en K (kali) voorkomen. Voorzover met een kunstmestterm uit deze opsomming een bepaalde soort kunstmest wordt (werd) aangeduid, is daarvan achter het nummer van de betreffende plaats melding gemaakt. Voor het (...)-gedeelte van de varianten hieronder zie men het lemma (stal)mest. [JG 1a + 1b + 1c; JG 2b - 4, 8; JG 2c; N 11, 23 + 24; N 11A, 61; N P, 9 + 10]
I-1
|
| 32627 |
kunstmest strooien |
(kunstmest) strooien/strouwen:
štrǫu̯ǝ (L270p Tegelen),
(kunstmest) zaaien:
zɛi̯ǝ (L270p Tegelen)
|
Het strooien van kunstmest over het land gebeurt met de hand of met een machine. Voor beide zijn de benamingen meestal identiek. Slechts waar er voor het strooien met de hand en het machinaal strooien verschillende benamingen bestaan, wordt dit in het lemma aangegeven door "met de hand", resp. "machinaal" achter het plaatsnummer. [N 11, 24; N 11A, 63a + 64a + 65a; N P, 10a + b; JG 1b add.]
I-1
|
| 32629 |
kunstmeststrooier |
kunstmeststrouwer/-strooier:
[kunstmest]štrø̜i̯ǝr (L270p Tegelen),
[kunstmest]štrǫu̯ǝr (L270p Tegelen)
|
Bedoeld wordt de machine waarmee kunstmeststoffen gelijkmatig over het land worden verspreid. Voor het (...)-gedeelte van de betrokken varianten hieronder zie men de lemmata kunstmest en stalmest. [N P, 9; N 11A, 65b]
I-1
|
| 33950 |
kussenleder |
leer:
lē̜r (L270p Tegelen)
|
Leren bekleding van de haamkussens. [N 13, 4; N 36, 17]
I-10
|
| 19632 |
kussensloop |
kussensloop:
kussensloop (L270p Tegelen),
kustijk:
køͅsštēk (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt u de overtrek van een hoofdkussen? (kussensloop, kussensloof, kussenzak, fluwijn) [N 104 (2000)] || kussensloop
III-2-1
|
| 33842 |
kwaadaardig roepen |
meken:
miǝkǝ (L270p Tegelen)
|
[N 8, 47 en 67]
I-9
|
| 17983 |
kwaal |
kwaal:
kwoal (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
kwaal [DC 02 (1932)]
III-1-2
|
| 28516 |
kwaker |
broddelaar:
(mv)
brodǝlę̄rs (L270p Tegelen)
|
Koningin die vlak vóór het uit de cel komen een dof, kwakend geluid laat horen. [N 63, 32b; N 63, 32a; N 63, 33b]
II-6
|
| 21419 |
kwartje |
kwartje:
e kwartje (L270p Tegelen),
kwartje (L270p Tegelen),
⁄n kwartje (L270p Tegelen)
|
kwartje, een ~ [N 21 (1963)] || kwartje: Hier heb je een kwartje voor een ijsje [DC 41 (1966)]
III-3-1
|