| 32320 |
kuipersaambeeld |
aanbeeld:
āmbēlt (L270p Tegelen)
|
Het gietijzeren of stalen blok met voetstuk waarop de banden door de kuiper worden uitgesmeed. Zie ook het lemma ɛaambeeldɛ in wld II.11, pag. 22-24.' [N E, 44]
II-12
|
| 32331 |
kuipersbies, -lis |
lis:
lȳs (L270p Tegelen)
|
De plant uit de cypergrassenfamilie (Scirpus) die tussen de bodemplanken en tussen kroos en bodem van vaten wordt aangebracht om deze waterdicht te maken. De biezen worden voor gebruik geweekt, gekloofd en van het merg ontdaan. De kieren in een vat worden met biezen gedicht, gaatjes worden met biezenpropjes gesloten. Zie ook het lemma ɛpropje biezenɛ. In een deel van het onderzoeksgebied wordt vooral de lis als dichtingsmateriaal gebruikt. Het wnt VIIII, kol. 521 geeft s.v. (kuiper) de samenstelling (kuiperslisch) als benaming voor de gele lis (Iris Pseudacorus) en vermeldt daarbij dat de bladeren van deze plant als dichtingsmiddel tussen de duigen van vaten worden gestoken.' [N E, 39b; N E, 54a; monogr.]
II-12
|
| 32262 |
kuipersbijl |
kuipersbijl:
kȳpǝrs˱bī.l (L270p Tegelen)
|
De bijl waarmee de kuiper de duigen een eerste. ruwe bewerking geeft. Zie ook afb. 208. [N E, 13a; N 53, 238]
II-12
|
| 32277 |
kuipershamer, drijfhamer |
aandrijfhamer:
āndrīfhāmǝr (L270p Tegelen),
vuisthamer:
vū.shāmǝr (L270p Tegelen)
|
De metalen hamer met korte steel waarmee de kuiper de sluitbanden en de definitieve banden van een vat vastslaat. De drijfhamer wordt samen met de drijver en de zethamer gebruikt. Zie ook de lemmata ɛdrijverɛ en ɛkuiperszethamerɛ. In Gennep (L 164) en Roermond (L 329) sloeg men niet met een drijfhamer, maar met de achterzijde van de dissel op de drijver.' [N E, 26a; N E, 45c]
II-12
|
| 32284 |
kuipersvijs |
lier:
līr (L270p Tegelen
[(bij zware biervaten: met behulp van een staaldraad en een lier)]
),
schroef:
šrū.f (L270p Tegelen),
winde:
weŋ (L270p Tegelen)
|
Algemene benaming voor een werktuig waarmee de duigen aan de onderkant van het vat naar binnen worden gebogen. Het bestaat uit een kabel die om de duigen wordt geslagen en door middel van een schroef of draaispil wordt aangespannen. Zie ook afb. 217. [N E, 29; monogr.]
II-12
|
| 32279 |
kuiperszethamer |
zethamer:
zęthāmǝr (L270p Tegelen)
|
De metalen drijver met steel waar de kuiper met de kuipershamer of met de achterkant van de dessel op slaat om de sluitbanden en de definitieve banden van een vat aan te drijven. In de kop van de kuiperszethamer is een gleuf aangebracht die ervoor zorgt dat hij makkelijk op de band gezet kan worden. Zie ook afb. 216. [N E, 26b; N E, 45c]
II-12
|
| 20463 |
kuis, ingetogen |
rein:
rein (L270p Tegelen)
|
kuis, zuiver [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23956 |
kuisheid |
rein:
rein (L270p Tegelen)
|
Kuisheid, zuiverheid. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17773 |
kuit |
kuit:
kóet (L270p Tegelen)
|
kuit ve vis
III-4-2
|
| 18545 |
kuitbroek |
rijboks:
riejbòks (L270p Tegelen)
|
kuitbroek of kniebroek (vero) waarvan de pijpen juist onder de knieën werden dichtgebonden [N 23 (1964)]
III-1-3
|