| 34641 |
kruiwagenberrie |
berrie:
bø̜ri (L270p Tegelen),
bomen:
bø̜ym (L270p Tegelen),
boom:
bǫu̯m (L270p Tegelen)
|
Elke van de twee lange draagbomen. Aan de voorzijde zijn de twee berries verbonden met de as van het kruiwagenwiel. Aan de andere kant van de berries bevinden zich de handvaten. Bij de meeste kruiwagens kunnen op de berries zijwanden geplaatst worden, zodat de kruiwagen een bak heeft. Bij de bakkruiwagen zijn deze zijwanden vast, en bij de scheienkruiwagen komen ze niet voor. Onderaan de berries bevinden zich de poten van de kruiwagen. [N 18, 98c + 99 + add; N G, 53a; JG 1a; JG 1b; RND 129; monogr.]
I-13
|
| 29960 |
kruizeel |
licht:
lex (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
lichtriem:
lexrēm (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Riem die om de schouders gelegd wordt en aan de berries van de kruiwagen wordt vastgemaakt om het werk van de voerder te verlichten. Zie ook het lemma kruizeel in wld II.9. [N 18, 99, 100; JG 1a; JG 1b; JG 2a; JG 2b; JG 2c; L B, 90; L 35, 31; A 42, 16; monogr] || Van touw of leer vervaardigde band waarmee kruiwagens omhoog worden gehouden tijdens het kruien. De lussen aan de uiteinden van het kruizeel worden daarbij om de handvatten van de burries bevestigd terwijl het middenstuk kruisvormig over de rug of ook enkel om de hals wordt gelegd. [N 30, 22c; monogr.]
I-13, II-9
|
| 31936 |
kruk van de avegaar |
kruk:
krø̜k (L270p Tegelen)
|
Het dwarsgeplaatse, en vaak verwisselbare, houten handvat van de avegaar. [N E, 32e; N 97, 72]
II-12
|
| 18019 |
kuchen |
kuchen:
kuche (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 34299 |
kudde volwassen varkens |
hoop:
hǫu̯p (L270p Tegelen),
troep:
trup (L270p Tegelen)
|
In dit lemma zijn de benamingen voor "kudde dieren" in het algemeen en "kudde varkens" in het bijzonder opgenomen. Zowel in de "Amsterdamse" als "Leuvense" vragenlijsten was gevraagd naar "kudde dieren". Dieren konden varkens, schapen, koeien, ganzen zijn. De antwoorden die betrekking hadden op specifiek "kudde schapen", "kudde ganzen" zijn bij het hoofdstuk schapen, ganzen ondergebracht. [N 76, 2; A 4, 18; L 4, 18; L 20, 18; monogr.]
I-12
|
| 17582 |
kuif |
kuif:
koe.f (L270p Tegelen),
koeèf (L270p Tegelen),
kōēf (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Uitspr. koewf.
koef (L270p Tegelen),
poes:
pōēs (L270p Tegelen)
|
kuif [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24199 |
kuifleeuwerik |
leeuwerik:
liëwərik (L270p Tegelen),
liewerk:
lījwerĕk (L270p Tegelen)
|
Hoe heet de kuifleeuwerik? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 34475 |
kuiken |
kuiken:
kȳkǝ (L270p Tegelen),
kuikje:
kykskǝ (L270p Tegelen),
kȳkskǝ (L270p Tegelen)
|
Jong van een kip. [A 6, 1d; Wi 4; RND 1; L 6, 20a; L 42, 32; JG 1a, 1b, 2c; S 14; Gwn 5, 15; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 32341 |
kuip |
kuip:
kȳ.p (L270p Tegelen)
|
In het algemeen een wijd vat, meestal van hout, van boven open en daar ook iets wijder dan aan de onderzijde. [N E, L; S 19; L 1a-m; L 17, 18a; monogr.]
II-12
|
| 32349 |
kuip voor veevoeder |
voerkuip:
vōrkȳp (L270p Tegelen),
voerton:
vōrton (L270p Tegelen)
|
Kuip waarin al dan niet gekookt veevoer wordt bewaard. [N E, L]
II-12
|