| 28989 |
kruissteek |
kruissteek:
krȳtsštēk (L270p Tegelen)
|
Steek waarbij de draad kruislings komt te liggen. Volgens Van Dale (s.v. ø̄kruissteekø̄) gelijk aan de flanelsteek. Zie ook het lemma ɛflanelsteekɛ. Volgens informanten gebruikt men deze steek om de naad plat af te werken (L 163), voor de zoom van mantels of dikke stof (L 298a), om de zoom vast te zetten (L 299) en om iets vast te maken aan de binnenkant (K 353). Zie afb. 36.' [N 59, 64; N 62, 15c; N 62, 16a]
II-7
|
| 23705 |
kruisteken |
kruis:
kruuts (L270p Tegelen),
kruisje:
kruutske (L270p Tegelen)
|
Een kruisteken [kruis, krèùs/kröös, kruus, kruuts, kruusteiken?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30134 |
kruisverband |
kruisverband:
kryts˲vǝrbant (L270p Tegelen),
kryts˲vǝrbaŋk (L270p Tegelen)
|
Metselverband dat doorgaans wordt toegepast bij muren dikker dan een halve steen. Zie ook afb. 39. Het verband is als volgt opgebouwd: eerste laag: drieklezoor, kop, strek, strek, strek; tweede laag: koppenlaag; derde laag: drieklezoor, strek, strek, strek, enz. (Westra, pag. 19). De volgorde van de verschillende lagen kan variëren. [N 31, 24d; N 31, 24e; monogr.]
II-9
|
| 23799 |
kruisverering |
kruisverering:
kruutsveriering (L270p Tegelen)
|
Het gebruik om op Goede Vrijdag de relikwie van het Heilig Kruis te kussen, de Kruisverering. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23411 |
kruisweg |
kruisweg:
krutswaeg (L270p Tegelen),
kruutsweeg (L270p Tegelen),
kruutsweg (L270p Tegelen),
kry(3)̄tswēͅx (L270p Tegelen)
|
De gebedsoefening langs de 14 staties van Jezus gang van Pilatus naar Golgotha [kruisweg, kruuswèg, kruutswèèg]. [N 96B (1989)] || Het geheel van 14 kruiswegstaties in de kerk [kruu(t)swèèg, kruuswèg?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23412 |
kruisweg: 14 staties |
veertien staties:
viertieen sjtasies (L270p Tegelen)
|
De 14 staties. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23413 |
kruiswegstatie |
statie:
sjtasie (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjtasies (L270p Tegelen),
staties (L270p Tegelen)
|
Elk van de 14 afbeeldingen van Jezus kruisweg [statieoene, staties?]. [N 96A (1989)] || Één statie van de kruisweg. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 26823 |
kruiwagen |
bakschurgkar:
bakšø̜rkɛr (L270p Tegelen),
betonschurgkar:
bǝtonšø̜rkɛr (L270p Tegelen),
grondschurgkar:
groŋkšø̜rkɛr (L270p Tegelen),
kalkschurgkar:
kalǝkšø̜rkɛr (L270p Tegelen),
schur(k)kar:
šø̜rkɛr (L270p Tegelen),
schurgkar:
šø̜rkɛr (L270p Tegelen),
steenschurgkar:
štęj.nšø̜rkɛr (L270p Tegelen)
|
[monogr.]Kleine eenwielige kar met twee berries, waarmee hij door een mens voortgeduwd en soms ook getrokken wordt. Vaak is er op de berries een bak gemonteerd, waarvan de zijplanken soms afgenomen kunnen worden. Er bestaan echter ook kruiwagens zonder zijplanken en met enkel een hoge voorplank, waarbij de berries via scheien met elkaar verbonden zijn. Zie voor het onderscheid de lemmata bakkruiwagen, scheienkruiwagen en platte kruiwagen. De informant van P 214 merkt hierover op: een soort kruiwagens met planken bodem. Zijstukken kunnen naar believen opgezet of afgenomen worden". De kruiwagen wordt gebruikt voor het vervoer van kleine lasten, zoals bijvoorbeeld mest. Volgens de informant uit Q 77 werd de kruiwagen gebruikt "om allerlei materiaal (behalve cement, zand enz.) te vervoeren" Volgens de informant uit L 269 gebruikt men de kruiwagen wel om zand te vervoeren. De respondent uit L 377 vermeldt als mogelijke vrachten "zakken - ook ander goed (aardappelen, wortels, steenkolen)". Zie voor meer informatie ook de lemmata kruiwagen in wld II,4, in wld II, 8 en in wld II, 9 en steenkar in wld II, 8. [N 18, 97a; N G, 51; N 11, 28; RND, 129; Gwn 8, 1b; S 19; L 29, 4; L 16, 19a; L 1a-m; L 1u, 139; L 45, 14a; L B, 193; JG 1d; A 14, 14a; monogr.] || Wagen bestaande uit een lage bak waaronder twee burries zijn gemonteerd. Aan de voorzijde is tussen de burries een wiel aangebracht, terwijl de achterste uiteinden worden gebruikt om de kar op te tillen en vooruit te duwen. De kruiwagen wordt op de bouwplaats voor verschillende doeleinden gebruikt. Dit lemma is dan ook onderverdeeld in: a. benamingen voor een kruiwagen voor het vervoer van specie, beton, kalk etc.; b. benamingen voor een kruiwagen voor het vervoer van aarde; c. termen voor het transport van (metsel)stenen. De woordtypen 'bakkruikar', 'planken kruikar', 'bakschurgkar', 'toeë schurgkar', 'planken' 'kruiwagen', 'metskruiwagen' en 'mouwtjeskruiwagel' zijn benamingen voor een metselaarskruiwagen met bak en twee demontabele zijplanken. Het woordtype 'Japanner' (Q 15, Q 35a) wordt gebruikt voor een van rubberen banden voorziene, tweewielige metalen betonstortkar ('Sito', pag. 33). [N 30, 22a; N 30, 22b; monogr.]
I-13, II-8, II-9
|
| 29605 |
kruiwagen voor bakstenen of dakpannen |
pannenschurgkar:
panǝšø̜rkɛr (L270p Tegelen),
pannenschurgskar:
panǝšø̜rskɛr (L270p Tegelen),
steenschurgkar:
štęjnšø̜rkɛr (L270p Tegelen)
|
Kruiwagen zonder zijplanken maar met hoge voorwand, voor het vervoer van bakstenen, dakpannen enz. De steenschurgkar in L 270 bezat een hoge kroon (hu\x kru\n). Alle gewicht bevond zich op het rad. De kar werd gebruikt op steenfabrieken. De pannenschurgskar had daarnaast soms ook scheien (ēɛj\).' [N G, 52e]
II-8
|
| 34640 |
kruiwagenas |
spil:
špil (L270p Tegelen)
|
De kleine metalen staaf die aan de voorzijde van de kruiwagen aan de berries is bevestigd en waarrond het wiel draait. In dit lemma zijn alleen de benamingen opgenomen die specifiek zijn voor de kruiwagenas. De meer algemene benamingen voor de as staan onder het betreffende lemma. [N 18, 98d; N G, 53f; JG 1d]
I-13
|