| 26082 |
kruien |
schurgen:
šørǝgǝ (L270p Tegelen),
šø̜̄rǝgǝ (L270p Tegelen)
|
De gedolven klei met behulp van een kruiwagen vervoeren. [monogr.] || Een last met de kruiwagen vervoeren. [N 18, 100 add; Wi 33; S 19; L 29, 4; L 1a-m; RND 97; A 42, 13 add + 16 add; monogr.]
I-13, II-8
|
| 20712 |
kruim |
kruim:
Syst. Veldeke
kroewm (L270p Tegelen),
Syst. WBD
kroe‧m (L270p Tegelen),
kruum (L270p Tegelen),
kruimels:
Syst. Veldeke
kruumels (L270p Tegelen)
|
Het zachte binnenste van het brood (kruim?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20806 |
kruimel |
greumel:
gru’mel (L270p Tegelen)
|
kruimel
III-2-3
|
| 17573 |
kruin |
kruin:
kroe.n (L270p Tegelen),
kroen (L270p Tegelen),
kroën (L270p Tegelen),
krōēn (L270p Tegelen),
kruun (L270p Tegelen)
|
kruin van het hoofd [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24038 |
kruinschering: kruin scheren |
kruintje scheren:
kruunke gesjoore (L270p Tegelen)
|
De kruinschering [kruungsjeëre]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24415 |
kruipend ongedierte |
rupsen:
Veldeke (iets gewijzigd)
roepse (L270p Tegelen),
slakken:
Veldeke (iets gewijzigd)
sjlekke (L270p Tegelen),
wormen:
Veldeke (iets gewijzigd)
wörm (L270p Tegelen)
|
wormachtig en kruipend gedierte [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 29663 |
kruiplanken |
schurgplaten:
šø̜rǝxplātǝ (L270p Tegelen)
|
De planken waarmee de weg belegd is die de verbinding vormt tussen de plaats waar de klei bereid wordt en de vormtafel. In Q 17 gebruikte men een oprit naar de vormtafel. Over deze brits (britē) leidde de modderkruier zijn kruiwagen om de bereide klei bovenop de vormtafel te storten - Geuskens, pag. 56. [monogr.]
II-8
|
| 17649 |
kruis |
kruis:
kryts (L270p Tegelen),
krȳts (L270p Tegelen)
|
Beenderenstelsel aan het einde van de rug. [N 3A, 109] || Kruising van ruggegraat en achterheupen, uitlopend in de staart en staartwortel. Zie afbeelding 2.31. [JG 1a, 1b; N 8, 13 en 14]
I-11, I-9
|
| 23203 |
kruisbeeld |
christus aan het kruis:
christus aan et kruuts (L270p Tegelen),
crucifix (<lat.):
kruutsefiks (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kruis:
kruts (L270p Tegelen),
kruuts (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
kruuts(-beeld) (L270p Tegelen),
Dit woord is beter!
krüts (L270p Tegelen),
kruis met een lieveheer:
kruuts met eine lievenhieer (L270p Tegelen),
kruisbeeld:
kruutsbeeld (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kruütsbeeld (L270p Tegelen),
lieveheer:
Lievenier (L270p Tegelen),
onzelieveheer:
slivvenier (L270p Tegelen),
ös livvenier (L270p Tegelen)
|
Een beeld van Christus-aan-het-kruis [kruus, kruuts, kruu(t)sbeeld, kruusse-fiks?]. [N 96A (1989)] || Een kruisbeeld, het geheel van kruis en de eraan gehechte Christusfiguur. [N 96B (1989)] || Kruisbeeld [slivvenier, kruus, kruussefiks]. [N 06 (1960)]
III-3-3
|
| 34081 |
kruisbeen |
kruisbeen:
krytsbɛi̯n (L270p Tegelen)
|
Heiligbeen, os sacrum; één der beenderen van het bekken. Het is een driehoekig beenstuk, ontstaan uit de vergroeiing van vijf wervels. [N 3A, 110a]
I-11
|