| 30146 |
kroonlijst |
sierlaag:
sīrlǭx (L270p Tegelen)
|
Uitspringende sierstrook van bakstenen boven aan de gevel, juist onder de dakgoot. Het woordtype 'muizetand' is specifiek van toepassing op een laag metselwerk waarbij de koppen van de stenen overhoeks worden gelegd, zodat de driehoekige voorsprongen schuine tanden vormen. [N 31, 30a; L 12, 9; monogr.; div.]
II-9
|
| 23381 |
kroonluchter |
kroonluchter:
kroeenluchter (L270p Tegelen),
kroenlugter (L270p Tegelen),
luchter:
luchter (L270p Tegelen)
|
Een veelarmige lamp in de kerk, luchter, kroonluchter. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 32297 |
kroos |
gergel:
gęrgǝl (L270p Tegelen)
|
De met behulp van de kroosschaaf in de binnenwand van het vat aangebrachte groef, waarin later de bodem wordt aangebracht. Zie ook afb. 222. [N E, 34b; monogr.]
II-12
|
| 32296 |
kroosschaaf |
gergelsnijder:
gęrgǝlšnijǝr (L270p Tegelen),
kroos:
krus (L270p Tegelen)
|
In het algemeen de schaaf waarmee de kroos in de binnenwand van het vat wordt aangebracht. Er bestaan verschillende uitvoeringen van de kroosschaaf, maar vaak is hij samengesteld uit een houten blok, dat voorzien is van een drietal beiteltjes die naar de binnenwand van het vat gericht zijn, en een cirkelvormig houten plankje. Wanneer de kuiper het houten plankje in een cirkelvormige beweging over de koppen van de duigen voortbeweegt en tegelijkertijd de schaaf tegen de binnenwand van het vat aandrukt, ontstaat enkele centimeters onder de rand een groef, de kroos. Zie ook afb. 221. Soms wordt in de kroosschaaf in plaats van de drie beiteltjes een stuk zaagblad aangebracht; de woordtypen krooszaag, gergelzaag en groefzaag uit respectievelijk Panningen (L 290), Kortessem (Q 74) en Hasselt (Q 2) duiden waarschijnlijk zoɛn aangepaste schaaf aan.' [N E, 34a; A 32, 5; monogr.]
II-12
|
| 32298 |
krozen |
gergelen:
gęrgǝlǝ (L270p Tegelen),
gergelsnijden:
gęrgǝlšnijǝ (L270p Tegelen)
|
Met behulp van een kroosschaaf aan de binnenwand van het vat een groef aanbrengen. [N E, 34c]
II-12
|
| 20658 |
kruiden, specerijen |
gekruiden:
gekrüj’je (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
kruiden || specerijen
III-2-3
|
| 20587 |
kruidenjenever |
elsdrupje:
elsdröpke (L270p Tegelen),
foezel:
foezəl (L270p Tegelen)
|
bitterborreltje || kruidenjenever; Hoe noemt U: Jenever met kruiden (pop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20805 |
kruidnagel |
kruidnagel:
króet’nagel (L270p Tegelen)
|
kruidnagel (specerij)
III-2-3
|
| 22580 |
kruidwis |
kruidnagelen?:
kroednagele (L270p Tegelen),
kruidwis:
kroedwes (L270p Tegelen),
kroedwès (L270p Tegelen),
kroet wis (L270p Tegelen),
kroetwes (L270p Tegelen),
kroetwis (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kroetwès (L270p Tegelen),
kroetwés (L270p Tegelen),
kroetwòsj (L270p Tegelen),
(oew).
kroedwès (L270p Tegelen),
Bij zware onweders wierp de huismoeder wat van deze gezegende kruiden in t vuur.
króetwês (L270p Tegelen)
|
Bundeltje veldkruiden, haver enz. (waarin vaak n appel), die men op t feest van O.L. Vrouw Hemelvaart liet zegenen. || De bos kruiden die op 15 augustus gewijd werd, de kruidwis [krüdwis, kroetwusj]. [N 96C (1989)] || kruidwis [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 22701 |
kruidwis wijden |
wijden van de kruidwis:
et wieje van de kroetwès (L270p Tegelen)
|
De wijding van de kruiden op 15 augustus [der kroetwusj zeëne]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|