| 20707 |
krentenbrood |
krentenmik:
Syst. WBD
krintemik (L270p Tegelen),
krentenweg:
krinte wêgk (L270p Tegelen),
krintewêk (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Syst. Veldeke
krintewaek (L270p Tegelen),
krintewègk (L270p Tegelen),
Syst. WBD
krintewèk (L270p Tegelen),
plats:
25 à 30 cm doorsnee met eieren , krenten en rozijnen gebakken en gewoonlijk met verjaardag of naamfeest aan vader of moeder ten geschenke gegeven
plats (L270p Tegelen),
pruimpjesmik:
Syst. WBD
pruumkesmik (L270p Tegelen),
pruimpjesweg:
prümkes-wêk (L270p Tegelen),
prümkeswêk (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke
prümkeswègk (L270p Tegelen),
Syst. WBD
pruumkeswek (L270p Tegelen),
rozijnenweg:
Syst. Veldeke
rezienewègk (L270p Tegelen),
Syst. WBD
rezienewèk (L270p Tegelen)
|
brood waarin krenten gebakken worden [N 29 (1967)] || grote ronde mik || krentenbrood || Krentenbrood (krintemik, kramiek, beezenbrood, rezienemik, lippert, pruukesweg?) [N 16 (1962)] || wittebrood met alleen krenten [DC 053A (1978)]
III-2-3
|
| 33910 |
kreupel zijn |
(een) kreupele:
krøpǝlǝ (L270p Tegelen),
(het is/staat) kreupel:
krø̄pǝl (L270p Tegelen),
stolper:
štǫlǝpǝr (L270p Tegelen)
|
[JG 1a; N 8, 62k en 94f]
I-9
|
| 33831 |
kribbebijter |
kribbebijter:
krebǝbitǝr (L270p Tegelen)
|
Nerveus paard dat met de snijtanden in de kribbe of op een ander hard voorwerp bijt, de lucht hoorbaar naar binnen zuigt en kreunt. Dit leidt dikwijls tot indigestie. Een kribbebijter is te herkennen aan de sterke afslijting van de wrijfvlakken, vooral aan de voorrand der snijtanden. Een kribbebijter zuigt wel lucht op; het woord is echter geen synoniem van windzuiger (4.4.5). [JG 1a, 1b; A 48A, 41b; N 8, 62o en 84f; add. uit N 52]
I-9
|
| 34465 |
krielkip |
kriel:
kril (L270p Tegelen),
krieltje:
krilkǝ (L270p Tegelen)
|
Een krielkip is een soort kleine kip. [N 19, 42; monogr.]
I-12
|
| 22351 |
krijgertje spelen |
nalopertje spelen:
Zie aldaar.
naoluiperke (L270p Tegelen),
tikkertje spelen:
/
tikkerke (L270p Tegelen)
|
Kinderspel. || tikkertje [SND (2006)]
III-3-2
|
| 28127 |
krimpen |
krimpen:
krempǝ (L270p Tegelen)
|
Gezegd van het werkstuk wanneer de afmeting ervan na het bakken is afgenomen. Om de krimp op te vangen was in L 163 het stokje dat als maatstokje werd gebruikt, 10% langer dan de gebakken pot moet worden. Volgens de invuller uit L 270 kromp het werkstuk vooral tijdens het drogen. [N 49, 91]
II-8
|
| 17579 |
kroeshaar |
kroeshaar:
kroeshaor (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kroeskop:
kroeskop (L270p Tegelen),
spoeskop:
sjpōēskóp (L270p Tegelen)
|
kroeshaar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20120 |
krols |
krols:
krols (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
loops, geslachtsdriftig ve kat [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 25010 |
krom, met bochten |
krom:
krômp (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
krom (kromp, slom) [DC 35 (1963)]
III-4-4
|
| 31349 |
krompasser |
klempasser:
klɛmpasǝr (L270p Tegelen),
kromme passer:
kromǝ pasǝr (L270p Tegelen),
kromǝ pɛsǝr (L270p Tegelen)
|
Passer met gebogen benen en stompe punten die dient om bolvormige en onregelmatige vormen op te meten. De wagenmaker bijvoorbeeld gebruikt de krompasser bij het draaien van wielnaven. Hij meet er de doorsnede van de naven mee op. Zie ook afb. 109. In Bilzen (Q 83) werden met de verdiktepasser de spijlen van trapleuningen nagemeten. Die werden balusters (baløstǝrs) genoemd. Zie ook het lemma ɛbalusterɛ in Wld II.9, pag. 152.' [N 53, 193b-c; N G, 16a]
II-12
|