| 34491 |
kraaien, gezegd van de haan |
kraaien:
kręi̯ǝ (L270p Tegelen),
krɛi̯ǝ (L270p Tegelen)
|
[N 19, 49; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 17562 |
kraakbeen |
knoers/knors:
knoers (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
knoerz (L270p Tegelen),
knoors (L270p Tegelen),
kraakbeen:
kraakbei.n (L270p Tegelen)
|
kraakbeen [noerz, knorzel, knoezelbeen] [N 10a (1961)]
III-1-1
|
| 22858 |
kraaltjes |
kraaltjes:
krɛlkəs (L270p Tegelen)
|
kraaltjes [RND]
III-3-2
|
| 20139 |
kraambed |
kinderbed:
kin’gerbêd (L270p Tegelen)
|
kraambed
III-2-2
|
| 32621 |
kraan van de metalen gierton |
bruizer/broezer:
brūzǝr (L270p Tegelen),
spruizer/sproezer:
šprū.zǝr (L270p Tegelen)
|
De kraan van de zinken gierton bestaat uit een korte, met een schuif of klep te sluiten buis, die van achteren voorzien is van of zich voortzet in een schuine of opgebogen lip of plaat. Als de kraan geopend is, stroomt de gier uit de ton tegen deze lip op waardoor zij zich in een wijde boog verspreidt. De in dit lemma opgenomen termen hebben achtereenvolgens betrekking op de kraan, het sluitstuk als geheel, het gierverspreidend onderdeel daarvan en de schuif of klep waarmee de kraan geopend en gesloten wordt. [JG 1a + 1b; N P, 6; N 11A, 54c; monogr.]
I-1
|
| 24196 |
kraanvogel |
kroenekraan:
kroë’nekrane (mv.) (L270p Tegelen)
|
kraanvogel
III-4-1
|
| 17918 |
krabben |
jeuken:
zich jeuke (L270p Tegelen),
kratsen:
kratse (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
kratze (L270p Tegelen),
B.v. dae kratsh zich woe t neet jeukt.
zich kratse (L270p Tegelen),
Kan ook kwaadaardig zijn.
kratse (L270p Tegelen),
schabben:
sjabbe (L270p Tegelen),
schobben:
sjoebe (L270p Tegelen),
Is alleen om de jeuk te verdrijven.
zich sjoebe (L270p Tegelen),
schrabben:
šrabǝ (L270p Tegelen),
schuren:
schoere (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
krabben: schuren, krabben tegen jeuk [schobbe] [N 10 (1961)] || krabben: zijn hoofd krabben tegen jeuk [kraowe] [N 10 (1961)] || Met een krabber of andere hulpmiddelen de geweekte varkensharen verwijderen. Door het krabben wordt een zeer dun laagje van de opperhuid eveneens verwijderd. [N 28, 27; monogr.]
II-1, III-1-2
|
| 25404 |
krabber |
bel:
bɛl (L270p Tegelen),
krabber:
krɛbǝr (L270p Tegelen),
schrapbus:
šrabø̜s (L270p Tegelen)
|
Een meestal kegelvormig metalen werktuig met scherpe onderrand waarmee men de geweekte varkensharen verwijdert. Aan de bovenkant van de krabber bevindt zich een haak waarmee men de na het krabben achtergebleven lange haren uittrekt of de nagels afrukt. Omdat men een krabber vaak zelf maakt of laat maken van restanten van ander, niet meer bruikbaar gereedschap (bv. het blad van een schoffel) komen allerlei vormen voor. Voor het mes waarmee men de geweekte ha-ren en opperhuid van het varken verwijdert zie men het lemma ''mes''. Zie afb. 6. [N 28, 28a; N 28, 36; monogr.]
II-1
|
| 25550 |
krabsel |
schrapsel:
šrapsǝl (L270p Tegelen)
|
Deeg dat zich aan de zijkanten en op de bodem van de trog heeft vastgezet. [N 29, 21a]
II-1
|
| 28904 |
kragenblok |
kragenblok:
krāgǝblǫk (L270p Tegelen)
|
Voor het strijken van de kraag gebruikt men het kragenblok. Het kragenblok dient ook voor het inpersen van borststukken, het gladmaken van korte vlakten en het platpersen van kleine naden (Gerritse, pag. 34). De informant van L 417 zegt de kragen op de tafel te strijken. De informant van Q 83 vermeldt dat het heel lang geleden is dat hij een kragenblok heeft zien gebruiken. Er bestaan alleen houten kragenblokken. Zie ook het lemma ɛpersplankɛ.' [N 59, 19e]
II-7
|