| 25109 |
koude noordenwind, bijs |
bijs:
bīēs (L270p Tegelen),
de wind zit in de koude:
de wingk zit in de kaaje hook (L270p Tegelen),
koude noorderwind:
kaaje noorderwink (L270p Tegelen),
scherpe wind:
sjerpe wingk (L270p Tegelen),
snijdende wind:
sjniejend (L270p Tegelen),
spits:
sjpits (L270p Tegelen)
|
koude noorderwind [bies] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 31179 |
koudsmid |
koudsmid:
kātšm ̇ēt (L270p Tegelen)
|
Smid of werkman in smederijen die metaal in koude toestand met vijl, beitel, hamer, boor, schraper, draadsnijwerktuigen, draaibank, etc., bewerkt. Zie ook het lemma "bankwerker" in WLD II. 5, pag. 46 en de toelichtingen bij de lemmata "koperslager" en "blikslager". [monogr.]
II-11
|
| 18339 |
kous met knoopjes |
overhoos:
haoze is verouderd, thans algemeen kouse
euverhaoze (L270p Tegelen),
slobber:
sjloebers (L270p Tegelen),
šloebers (L270p Tegelen),
slobkous:
sjloebkouse (L270p Tegelen),
sjloepkouse (L270p Tegelen),
šloebkouse (L270p Tegelen)
|
kousen met knoopjes die over de gewone kousen worden gedragen [slopkouse, sjlopehaoze, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18195 |
kous: algemeen |
hoos:
hoase (L270p Tegelen),
Vero. [´ : sleeptoon]
háos (L270p Tegelen),
kous:
voor n meisje
kouse (L270p Tegelen),
n kousen]:
haos (L270p Tegelen),
kaos (L270p Tegelen),
meervoud haoze haoze is volkomen verouderd, thans algemeen: kouse
haos (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men de kous (de lange beenbedekking van den mensch)? [DC 09 (1940)] || kous || kous, lange beenbekleding [haos, hous, sjtrump [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18179 |
kousenband |
bindel:
bingel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
Vero.
bingel (L270p Tegelen),
hozenbindel:
haozenbingel (L270p Tegelen),
(als verbinding wordt in t spraakgebruik nooit geen n gebruikt, maar m. voor B.0.
haozembingel (L270p Tegelen),
kousenbindel:
kausebingel (L270p Tegelen),
kousebingel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
elastieken kouseband || kousenband [N 07 (1961)] || kousenband om het bovenbeen [bendel, binjel haozebendel, ongerbinjel, kousenbendel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kǫu̯tǝr (L270p Tegelen)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 26087 |
kozijn |
deurraam:
dø̄rrām (L270p Tegelen),
kozijn:
koziǝn (L270p Tegelen),
raamkozijn:
rām[kozijn] (L270p Tegelen)
|
Houten of metalen raamwerk, bestaande uit twee stijlen met een boven- en onderdorpel, waarin een deur of raam wordt aangebracht. In Q 113 zijn kozijnen pas kort in gebruik. Voorheen paste men een constructie toe die 'blindraam' of 'rabat' werd genoemd. Daarbij werd in de massief gemetselde muur een opening gelaten waarin later het deur- of raamkozijn werd geplaatst. Het houtwerk van zo'n blindraam werd door middel van de pleisterlaag vastgezet. De kozijnen die tegenwoordig worden gebruikt, zijn dikker dan het kozijn dat bij de blindramen gebruikelijk was. Zij steken aan de binnen- en aan de buitenkant verder naar voren en worden vastgezet met behulp van kozijnankers, die tussen de voegen van de beide spouwmuren worden gemetseld. In verband met deze verankering in het metselwerk wordt het kozijn van tevoren geplaatst (Lochtman, pag. 42). Zie ook het lemma 'Muurraam'. [N 32, 10a-c; N 55, 6a-c; monogr.; div.]
II-9
|
| 30261 |
kozijnanker |
kozijnanker:
[kozijn]aŋkǝr (L270p Tegelen)
|
L-vormig ijzer waarmee een kozijn in de muur wordt vastgezet. Volgens een invuller uit L 289 werden kozijnen vroeger slechts met spijkers vastgezet. Het kozijnanker is een ontwikkeling van latere tijd. Zie voor het woordtype 'dook' (K 318, L 414) ook de toelichting bij het lemma 'Dook'. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(kozijn)-' het lemma 'Kozijn'. [N 32, 11a; N 55, 18a; monogr.]
II-9
|
| 18205 |
kraag |
kraag:
kraegske (L270p Tegelen),
Ook de kraag van jas of mantel. [´ : sleeptoon]
kráag (L270p Tegelen)
|
Kraagje (verkleinwoord). [DC 58 (1983)] || wit gesteven boord
III-1-3
|
| 30235 |
kraagsteen |
draagsteen:
drāxštęjn (L270p Tegelen)
|
Een in de muur gemetselde, uitstekende steen waarop het uiteinde van de latei rust. [N 32, 15c; monogr.]
II-9
|