| 30133 |
koppenverband |
kopsverband:
kǫps˲vǝrbant (L270p Tegelen),
kǫps˲vǝrbaŋk (L270p Tegelen)
|
Metselverband waarbij alle stenen in een laag met de kop in zicht komen. De steen ligt daarbij op zijn platte kant. Zie ook afb. 38. [N 31, 24b]
II-9
|
| 19325 |
koppig |
steens:
štɛns (L270p Tegelen),
wars:
wē̜rs (L270p Tegelen)
|
[JG 1a; A 48A, 41a; N 8, 64h]
I-9
|
| 33929 |
kopriem |
frontriem:
frontrēm (L270p Tegelen),
sterband:
štirbant (L270p Tegelen),
štɛrbaŋk (L270p Tegelen)
|
Evenals bij de halster is er aan het hoofdstel een kopriem. Bij de halster ligt de kopriem achter de oren van het paard, waar hij bij het hoofdstel vóór de oren over het voorhoofd van het paard loopt. Bij enkele opgaven is het vaak niet uit te maken of het om de vorm kieuwriem of kiefriem gaat. Gekozen werd voor de vorm kief. [JG 1a; N 13, 25]
I-10
|
| 32290 |
kopschaaf |
kopschaaf:
kǫpšāf (L270p Tegelen)
|
De schaaf waarmee de koppen van de duigen aan de bovenzijde vlakgeschaafd worden. De kopschaaf heeft meestal een schaafblok met gebogen zijkanten. Zie voor een afbeelding van een kopschaaf wvd II.4, pag. 43. [N E, 35a]
II-12
|
| 28429 |
kopspijlen |
kopstekken:
kǫpštɛkǝ (L270p Tegelen)
|
Van onderen spits bijgesneden spijlen. Door de kop van de korf worden op raatafstand een aantal van deze houten spijlen gestoken. Die spijlen worden van onderen spits bijgesneden omdat de bijen bij voorkeur hun ratenbouw aan een scherpe rand schijnen te beginnen. Wanneer de korfboer er dan nog met was een paar stukjes kunstraat of samengeknepen verse darrenraat aan vastlijmt, zijn de bijen meestal wel genegen althans hun eerste raten netjes in de kop in koude bouw te beginnen (De Roever, pag. 150). [N 63, 6a]
II-6
|
| 34220 |
koptouw |
koetouw:
kutǫu̯w (L270p Tegelen),
strik:
štrek (L270p Tegelen)
|
Touw aan de horens van een koe. [N 3A, 14a]
I-11
|
| 24351 |
kopvoorn |
maan:
op kwabaal gelijkende riviervis; homofoon van "maan
maon (L270p Tegelen)
|
meun (vis)
III-4-2
|
| 34200 |
kopziekte |
kopkrank:
kopkraŋk (L270p Tegelen),
kopkrankte:
kopkreŋdǝ (L270p Tegelen),
krankte:
kreŋdǝ (L270p Tegelen)
|
Door de overgang van de stal naar de weide treden stoornissen op in het maagdarmkanaal na plotselinge opname van grote hoeveelheden eiwit uit het jonge gras. Kopziekte komt vooral in het voorjaar voor. Bij een acuut verloop is er een potselinge aanval van krampen, waarbij alle ledematen, hals, hoofd, ogen en oren betrokken zijn. De opeenvolgende krampgolven nemen in hevigheid toe, totdat de dood volgt door een hartkramp (Berns 1983, blz. 137). Door de boeren wordt kopziekte vaak verward met melkziekte. Het zijn allebei zogenaamde deficiëntieziekten: bij kopziekte gaat het dan om een gebrek aan magnesium, bij melkziekte aan calcium. Zie ook het lemma ''kopziekte'' in wbd I.3, blz. 474-475.' [N 3A, 79; A 48A, 3; monogr.]
I-11
|
| 20109 |
korenbloem |
korenbloem:
kǭrǝblōm (L270p Tegelen)
|
Centaurea Cyanus L. Een niet meer zo algemeen voorkomende plant met blauwe bloemen, een spinselachtig behaarde stengel en dunne lancetvormige bladeren, die groeit in korenvelden, op zandgronden en in bermen. De plant bloeit van juni tot augustus en varieert in hoogte van 30 tot 60 cm. [A 13, 14; L 34, 31; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 33092 |
korenmijt zetten |
zetten:
zętǝ (L270p Tegelen)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|