| 33806 |
koot |
koot:
kuǝt (L270p Tegelen)
|
Het korte been onmiddellijk boven de hoef, zowel van de voor- als achterpoot. 1Het is één van de belangrijkste lichaamsdelen van het trekpaard. Zie afbeelding 2.25. [JG 1a, 1b; N 8, 32.1, 32.2, 32.3, 32.7, 32.10, 32.14, 32.15 en 32.16]
I-9
|
| 19856 |
kop |
kop:
kǫp (L270p Tegelen),
korte kant:
kǫrtǝ kaŋk (L270p Tegelen)
|
De korte smalle zijde van een metselsteen. Zie ook afb. 30. [N 31, 17c; N 98, 171; monogr.]
II-8
|
| 29873 |
kop van de dakpan |
kop:
kǫp (L270p Tegelen)
|
De bovenkant van de pan met de uitstulping waarmee deze over de panlat gehaakt kan worden. [monogr.]
II-8
|
| 29631 |
kop van de kruiwagen |
kroon:
krūn (L270p Tegelen)
|
[N 98, 46; monogr.]
II-8
|
| 29523 |
kop van de oven |
voor:
voor (L270p Tegelen)
|
De gehele voorkant van de oven met de ovendeur. [N 49, 72a]
II-8
|
| 33063 |
kop van de schoof |
kop:
kǫp (L270p Tegelen)
|
De bovenkant van de schoof, daar waar zich de aren bevinden. Zie afbeelding 7. [N 15, 21b; JG 1b]
I-4
|
| 32286 |
kop van een duig |
kop:
kǫp (L270p Tegelen)
|
Elk van de twee uiteinden van een duig. [N E, 32a]
II-12
|
| 25412 |
kop verwijderen |
doorsnijden en afbreken:
dōršnī-jǝ ɛen āfbrē̜kǝ (L270p Tegelen)
|
Nadat de kop afgehuid is, wordt hij van het lijf gesneden of gehakt. [N 28, 44; monogr.]
II-1
|
| 32312 |
kopband |
kopband:
kǫp˱baŋk (L270p Tegelen)
|
De band die om de beide uiteinden van het vat wordt aangebracht. De in dit lemma opgenomen benamingen duiden zowel de voorlopige als de definitieve banden op die plaats aan. Zie ook het lemma ɛsluitbandenɛ. Als sluitband heeft de kopband vaak de functie van opzetband. Zie ook dat lemma.' [N E, 22a; N E, 23; N E, 42]
II-12
|
| 33137 |
kopdorser |
hekeldorsel:
hē̜kǝldǫrsǝl (L270p Tegelen),
hekeldorsmachine:
hɛ̄kǝldǫrsmǝšin (L270p Tegelen),
hekelmachine:
hɛ̄kǝlmǝšin (L270p Tegelen)
|
Bij deze vroege gemotoriseerde dorsmachine werden de schoven met de aren (de kop van de schoof) naar voren in de machine geschoven. Het eigenlijke dorsen gebeurde in een trommel met ijzeren pinnen of tanden die doet denken aan een hekel. Zie afbeelding 12. [N 14, 6a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|