| 33234 |
koolrabi, koolraap-boven-de-grond |
koleraab:
[koleraab] (L270p Tegelen),
koolraab:
[koolraab] (L270p Tegelen)
|
Brassica oleracea L. var. gongylodes L. Zie de toelichting bij het lemma Koolraap (Ondergronds). Koolrabi wordt als groente gekweekt. Het komt vaak voor dat de koolraap-boven-de-grond dezelfde naam draagt als de koolraap-onder-de-grond van het vorige lemma. Deze gevallen staan steeds voorop; voor de fonetische documentatie ervan zij verwezen naar de betreffende heteroniem uit het genoemde lemma Koolraap. Voor de spelling (-)raab, zie de toelichting bij het lemma Koolraap. [N 12A, 3b; monogr.; add. uit N 7, 16]
I-5
|
| 20668 |
koolrabisoep |
reubensoep:
Syst. Veldeke
reubesoep (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke (hier onbekend)
reubesoep (L270p Tegelen),
Syst. WBD
reubesoep (L270p Tegelen)
|
Rapensoep (reubesop) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 28647 |
koolzaadhoning |
koolzaadhoning:
kū.lzǭthōneŋ (L270p Tegelen)
|
Honing afkomstig van koolzaadbloesem. De koolzaadhoning is lichtgeel en snel kristalliserend. [N 63, 112b; monogr.]
II-6
|
| 23435 |
koorbank |
koorbank:
koerbank (L270p Tegelen),
koerbanken (L270p Tegelen)
|
Een koorbank: bank in het koorgestoelte. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23434 |
koorgestoelte |
koorbanken:
koerbenk (L270p Tegelen)
|
Het koorgestoelte: het geheel van zitplaatsen op/in het koor, meestal bestaande uit oplopende banken, bestemd voor monniken of kanunniken. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23541 |
koorhemd |
superplie:
superplie (L270p Tegelen)
|
Het korte witte kleed dat de priester over zijn toog draagt [rochet, superplie, koorhemd?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23540 |
koorkap |
koormantel:
koeermankel (L270p Tegelen)
|
De koorkap [koeërmangtel?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23436 |
koorstoel |
koorzetel:
koerzaetel (L270p Tegelen)
|
Een koorstal of koorstoel: zetel of zitplaats in een koorbank van het koorge-stoelte. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18004 |
koorts |
koorts:
kô.rts (L270p Tegelen)
|
koorts [RND]
III-1-2
|
| 23563 |
koorzanger |
zanger:
zenger (L270p Tegelen)
|
Een koorzanger, lid van het zangkoor [zenger, koeërzenger?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|