| 33026 |
kolven afstropen |
afbladeren:
āf˱blārǝ (L270p Tegelen),
afkolven:
āfkǫlǝvǝ (L270p Tegelen)
|
De maïskolven ontdoen van de schutbladeren. Het object van de handeling is steeds maïskolven. [N Q, 22]
I-4
|
| 19615 |
kom |
komp:
komp (L270p Tegelen)
|
kom, aarden teil
III-2-1
|
| 17813 |
komen |
komen:
komə (L270p Tegelen)
|
komen [RND]
III-1-2
|
| 20764 |
komijnekaas |
komijnekaas:
Syst. WBD
komeinekie‧s (L270p Tegelen),
stinkkaas:
Syst. Veldeke
sjtinkkiës (L270p Tegelen)
|
Komijnekaas (kantert, kemuuniekaas?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20005 |
konijn |
konijn:
knién (L270p Tegelen),
(mv.)
knien (L270p Tegelen)
|
konijn
III-2-1
|
| 24322 |
konijnenhol |
konijnsaard:
kniénsaerd (L270p Tegelen),
konijnspijp:
kniénspiép (L270p Tegelen)
|
konijnenhol [DC 55 (1980)]
III-4-2
|
| 21266 |
koning |
koning:
køniŋ (L270p Tegelen)
|
koning [RND]
III-3-1
|
| 22812 |
koning in het kaartspel |
koning:
keuning (L270p Tegelen)
|
En hoe [noemt u van het kaarspel] de [verschillende] plaatjes? - II. Koning. [DC 52 (1977)]
III-3-2
|
| 26670 |
koning van de rosmolen |
staander:
štɛndǝr (L270p Tegelen)
|
De grote, staande as in rosmolens. De koning is aan de onderzijde voorzien van een trekbalk en aan de bovenzijde van een spoorwiel. [N D, 28]
II-3
|
| 28400 |
koningin |
koningin:
kø̄negen (L270p Tegelen),
kø̄neŋen (L270p Tegelen),
moer:
mūr (L270p Tegelen)
|
Het enige volmaakt vrouwelijke dier in een bijenkolonie. Geslachtelijk is de koningin gelijk aan de werkbij, maar in het larvestadium is de aanstaande koningin gevoed met hoogwaardige voedingsstoffen, de koninginnegelei, en de werkbij niet. In ieder volk is slechts één koningin aanwezig. Haar enige taak bestaat in het leggen van eieren. Zij kan bevruchte of onbevruchte eieren leggen. Uit de bevruchte eieren ontstaan werkbijen of eventueel koninginnen, uit de onbevruchte komen de darren. Een koningin kan een leeftijd van vier à vijf jaar bereiken. Is zij niet meer in staat eieren te leggen en daardoor nutteloos geworden voor de kolonie, dan wordt de oude koningin vervangen door een nieuwe. [N 63, 12d; S 3, L 1a-m; JG 1a + 1b; JG 2b-5, 12; R 3, 42; Ge 37, 37; A 9, 3; monogr.]
II-6
|