| 25367 |
kogel |
kogel:
kōgǝl (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Bedoeld is de kogel die met behulp van het ouderwetse schietapparaat wordt afgeschoten. De respondent van L 413 merkt op dat die enkel voor runderen wordt gebruikt, Zie ook de toelichting bij het lemma ''schietmasker''. [N 28, 5c; monogr.] || Het gewricht tussen pijp(been) en koot van een paard; ook bij een rund. Zie afbeelding 2.24. [N 8, 32.7, 32.15 en 32.16]
I-9, II-1
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kaokə (L270p Tegelen),
koaken (L270p Tegelen),
kōͅkə (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kòkĕ (L270p Tegelen)
|
koken [DC 03 (1934)], [RND]
III-2-3
|
| 20803 |
kokkin |
kook:
vrouw die goed kan koken
káok (L270p Tegelen)
|
kookster
III-2-3
|
| 34109 |
kol |
kol:
kǫl (L270p Tegelen)
|
Witte vlek op het voorhoofd van de koe. [N 3A, 135b]
I-11
|
| 24303 |
kolblei |
puinoog:
zoetwatervis
puin‧oug (L270p Tegelen)
|
kolblei (vis)
III-4-2
|
| 33888 |
kolder |
kolder:
kǫldǝr (L270p Tegelen)
|
Kolder (< lat. cholera) is een slepende, ongeneeslijke hersenaandoening, die aanleiding geeft tot stoornissen in de beweging en de bloedsomloop. De uiterlijke verschijnselen zijn: onhandelbaarheid, niet willen werken, een sufferig uiterlijk, het hoofd laag houden en de oren laten hangen, evenals een waggelende gang. Deze vorm van aandoening wordt stille kolder genoemd. Bij verergering van de ziekte wordt het paard wild, draait in het rond en slaat op hol. Dan spreekt men van razende kolder. [A 48A, 37; N 8, 90p; monogr.]
I-9
|
| 29541 |
kolen |
kolen:
kǭlǝ (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Brandstof voor de oven. Coopman (pag. 71) onderscheidt de volgende soorten kolen: a. polies, b. strooigoed, c. boonen, d. fijnen. De polies, grote brokken kolen, vormden de brandstof in de stookgangen. Zie ook de lemmata ɛstukkoolɛ, ɛfijnkoolɛ en ɛkoolgruisɛ in wld II.5, pag. 215, 216. In Q 83 gebruikte men voor de veldoven goede Luiker kolen (guj lājk\r ku\l\). In de ɛjachtenɛ gooide men klotkolen, over de stenen strooide men steenkoolgruis. De ɛstukkoolɛ uit Q 121b moest klein gemaakt worden. Men zei dan: de kool moet geklopt werden (mot jeklǫpt wē\d\).' [monogr.; N 98, 115 add.] || De verschillende soorten kolen waarmee de oven wordt gestookt. Zie ook het lemma ɛkolenɛ in de paragraaf over de veldoven. In L 163 werd werd voor het stoken van de oven ook kolenslik gebruikt. Men noemde dit slemp (slɛmp). Zie ook het lemma ɛkolenslikɛ in wld II.5, pag. 216.' [N 49, 62b; monogr.]
II-8
|
| 29758 |
kolenbergplaats |
kolenkuil:
kǭlǝkul (L270p Tegelen)
|
Verdiepte opslagplaats voor kolen bij de pannenfabrieken - Tegels Dialek, pag. 96. [monogr.]
II-8
|
| 19636 |
kolengruis |
gruis:
gruus (L270p Tegelen),
gry(3)̄.s (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt u het gruis van kolen? [N 104 (2000)] || kolengruis
III-2-1
|
| 19634 |
kolenschop |
kolenschup:
kǭlǝšøp (L270p Tegelen),
kǭlǝšø̜p (L270p Tegelen),
platte schup:
platteschöp (L270p Tegelen),
schoep:
schoop (L270p Tegelen),
sjoop (L270p Tegelen),
šōp (L270p Tegelen)
|
[monogr.] [N 49, 66b; monogr.]Hoe noemt u het werktuig om kolen enz. langs het keldergat in te doen (breed en aan een zijde afgerond)? (schop, troefel, kolenschup) [N 104 (2000)]
II-8, III-2-1
|