| 34213 |
koeherder |
koeherd:
kuhert (L270p Tegelen),
koejongen:
kujoŋ (L270p Tegelen),
kujǫŋ (L270p Tegelen)
|
Zie ook het lemma ''koewachter, veeknecht'' (1.3.14) in wld I.6, blz. 23-25. [N 3A, 12b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34102 |
koeienmaag |
koepens:
kupɛns (L270p Tegelen),
pens:
pɛns (L270p Tegelen)
|
Bedoeld is hier de koeienmaag in haar geheel. [N 3A, 120; A 9, 11]
I-11
|
| 33371 |
koeienstand |
plateau:
platō (L270p Tegelen)
|
Dat deel van de stal waar de koeien staan en dat gelegen is tussen de stalpalen en de mestgoot of het mestbed. De koeienstand in moderne stallen is iets hoger dan de mestgoot en mestgang er achter, waardoor voorkomen wordt dat de koeien in de mest en gier staan staan of liggen. Sommige woordtypen betreffen de vloer of het soort vloer waar de koeien op staan. De meervoudsvormen hebben doorgaans betrekking op de dubbele stal waar het telkens om twee koeienstanden gaat, die tegenover elkaar geplaatst zijn. Zie afbeelding 10. [N 5A, 40b; N 4, 79; A 10, 9a en 14; Gwn 4, 7; monogr.]
I-6
|
| 20968 |
koek |
koek:
Verklw. kukske
kook (L270p Tegelen)
|
koek
III-2-3
|
| 34284 |
koekenbreker |
koekbreker:
kōkbrē̜kǝr (L270p Tegelen),
koekenmolen:
kōkǝmø̄lǝ (L270p Tegelen)
|
Werktuig waarmee men lijnkoeken en dergelijke tot brokjes maalt. [N 18, 135; N J, 7]
I-11
|
| 19407 |
koekenpan |
bakpan:
bakpan (L270p Tegelen),
braadpan:
braodpan (L270p Tegelen),
bròòjpan (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
koekenpan:
kooke-pan (L270p Tegelen)
|
pot, metalen ~ met steelvormig handvat; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20750 |
koekje |
knapkoek:
Syst. Veldeke
knapkook (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke Dùn, grótter dan maelpletske, mèt vuel sókker, knappend.
knapkook (L270p Tegelen),
Syst. WBD
knapkeu‧k (L270p Tegelen),
Syst. WBD Een eveneens specifiek Limb. gebak, dat nog steeds zeer veel door onze huisvrouwen zelf wordt gebakken. Voor een echt fijne smaak gebruiken ze dan bij voorkeur kippevet in plaats van boter of bakvet. De grootte varieert van 8 tot 15 cm doorsnede; ze worden vóór het bakken reeds met suiker bestrooid.
knapkòk (L270p Tegelen),
koekje:
kuks’ke (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke Nòw heite ze allemaol kúkskes of nach mier: koekjes
kúkskes (L270p Tegelen),
Syst. WBD Betekenis van pletskes en kukskes is hetzelfde
kukskes (L270p Tegelen),
koffieplatsje:
Syst. Veldeke Ekstra, vur visite.
kóffiepletske (L270p Tegelen),
lange vinger:
Syst. WBD
lange vingers (L270p Tegelen),
meelplatsje:
mael’pletske (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke Waas n bleik tamelik sjmaakloos dingk.
maelpletske (L270p Tegelen),
platsje:
plets’kes (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke Vruger heetten alle koekjes "pletskes".
pletskes (L270p Tegelen),
Syst. WBD Betekenis van pletskes en kukskes is hetzelfde
pletskes (L270p Tegelen),
waterplatsje:
Syst. Veldeke Waas n bleik tamelik sjmaakloos dingk.
waterpletske (L270p Tegelen),
Syst. WBD
waterplétskes (L270p Tegelen)
|
droog koekje, zonder suiker gebakken || koekje als traktatie bij koffie of thee || koekjes || Welke benamingen kent u voor koekjes (kaffekoekje, sterreke, waterpletske, peekverjenneke, knapkoek?) Wat zijn de verschillen tussen deze? [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33880 |
koekje dat de veulens bij de geboorte in de mond hebben |
milt:
melt (L270p Tegelen),
platsje:
plɛtskǝ (L270p Tegelen)
|
Klein, gelig en sponzig klontje, dat met de ademhaling verband houdt. Het ligt op de tong van de pas geboren veulentjes. Meestal valt het bij de geboorte op de grond tussen het stro, droogt onmiddellijk op en is dan vrijwel onvindbaar. [N 8, 55 en 56]
I-9
|
| 20741 |
koekje van overgeschoten deeg |
breuk:
Syst. Veldeke
breuk (L270p Tegelen),
platsjesbreuk:
Syst. Veldeke
pletskesbreuk (L270p Tegelen)
|
Koekjes van onbepaalde vorm, van overgeschoten deeg gebakken voor kinderen (kreupelkes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 25224 |
koele wind |
koel windje:
keul (L270p Tegelen)
|
koele wind [koeltje] [N 81 (1980)]
III-4-4
|