| 34068 |
koe die tweemaal heeft gekalfd |
tweede maal:
twīǝdǝ mǭl (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) resp. (kalf) de lemmata ''koe'' (3.3.1) en ''kalf'' (3.1.1). [N 3A, 26a; N C, 14b]
I-11
|
| 34126 |
koe met gebogen, opgezette rug |
hoge rug:
hūgǝ rø̜k (L270p Tegelen),
kameelrug:
kǝmīǝlrø̜k (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 145c]
I-11
|
| 34124 |
koe met hellend kruis |
hangkont:
haŋkǫnt (L270p Tegelen),
hangvot:
haŋvǫt (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 145a; monogr.]
I-11
|
| 34122 |
koe met korte poten |
diepe koe:
dēpǝ ku (L270p Tegelen),
kortpotige koe:
kǫrtpȳǝtegǝ ku (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 142b]
I-11
|
| 34121 |
koe met lange poten |
hoge koe:
hūǝx ku (L270p Tegelen),
hoogpotige koe:
hūǝgpȳǝtegǝ ku (L270p Tegelen),
koe met stelten:
ku mɛt štɛltǝ (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 142a]
I-11
|
| 34045 |
koe met rode vlek op de poot |
vlekpoot:
vlɛkpūǝt (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 138]
I-11
|
| 34125 |
koe met slappe, doorgezakte rug |
zaalrug:
zālrø̜k (L270p Tegelen),
zālrø̜q (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 145b]
I-11
|
| 34123 |
koe met ver uitspringende hielen |
hakkenschijter:
hakǝšītǝr (L270p Tegelen),
hakǝšīǝtǝr (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 144b]
I-11
|
| 34044 |
koe met witte vlek of streep op het voorhoofd |
bleskoe:
blɛs[koe] (L270p Tegelen),
koe met een bles:
[koe] met ǝn blɛs (L270p Tegelen),
kol:
kǫl (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 135a; N 3A, 136a]
I-11
|
| 33368 |
koedrempel, kribbeboom |
kniebalk:
knēnbalǝk (L270p Tegelen),
schoftbalk:
šøxt˱balǝk (L270p Tegelen)
|
Een laag muurtje in de potstal dat de koeienstand van de voergang scheidt, ofwel de lage horizontale balk waar de koeien aan vastgebonden zijn in een stal zonder stalpalen, ofwel, in de stallen met een koeienstand, de horizontale balk die op de krib ligt en de stalpalen van onderen verbindt. De voorwerpen kunnen verschillend zijn, maar de functie is gemeenschappelijk. De meeste opgaven betreffen de verbindingsbalk van de stalpalen (onbekend in Q 187a, alleen in moderne boerderijen in Q 32). Deze balk ontbrak in L 159a, 191, 214a, 290, 291 en 377, waar de stalpalen in de grond of in de rand van de krib stonden. De onderste verbindingsbalk heeft de hoogte van de knie of de borst van de koeien. Waar in het lemma achter een opgave wordt vermeld balk met gaten betreft het geen verbindingsbalk maar een balk die op de grond tegen de krib of op de krib ligt en waaraan de koeien vastgebonden worden (met een touw door de balk of aan een ring door de balk). Sommige benamingen kunnen, opgevat als collectief, ook voor het hekwerk van stalpalen gelden. Zie ook afbeelding 10.B bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 38b en c; N 4, 61 en 61; A 10, 12 en 13; div.; monogr.]
I-6
|