| 29002 |
knoopsgatensteek |
knoopsgatersteek:
knǫwps˲gātǝrštēk (L270p Tegelen)
|
Steek voor het maken van knoopsgaten. Men steekt de naald in achter het paskoord of de pasdraad, welke achter de kant van het knoopsgat wordt gelegd en met de linkerhand vastgehouden, en alvorens de naald weer uit te halen slingert men de draad van links naar rechts om de naald heen. Wanneer de draad wordt aangehaald, ontstaat daardoor op de kant van het knoopsgat een nopje. Deze nopjes moeten elkaar aanvullen en regelmatig opvolgen (Gerritse, pag. 47). Er zijn verder diverse soorten knoopsgatensteken. Zie afb. 42. [N 59, 63; N 62, 16a]
II-7
|
| 28926 |
knoopsgatentang |
knoopsgatertang:
knǫwpsxātǝrtaŋ (L270p Tegelen)
|
Tang waarmee men in één keer een knoopsgat kan uitknippen. Tussen de beide grepen van de tang bevindt zich een veer. Het onderste plaatje is aan de binnenzijde voorzien van een verhoging van hard metaal en het bovenste plaatje van een kokertje dat dient tot insnijding van het knoopsgatenrondje (Gerritse, pag. 25). Papenhuyzen (III) zegt niets over de knoopsgatentang, maar toont een tekening van een verstelbare knoopsgatentang (pag. 11). Ook de informant van Q 83 spreekt over een verstelbare knoopsgatentang, waarvan het verstelbare gedeelte het ø̄blokø̄ genoemd wordt. De informant van Q 121c geeft een platte knoopsgatentang zonder rondjes aan. De informanten van L 265 en Q 198 hadden geen tang of kenden deze niet. Zie afb. 22. [N 59, 30b; N 59, 16d; N 59, 29a]
II-7
|
| 28860 |
knoopsgatenzijde |
knoopsgaterzij(de):
knǫwpsgātǝrzi (L270p Tegelen)
|
Knoopsgatenzijde is veelal van betere kwaliteit dan naaizijde en men maakt deze ook nog wel van zuivere echte zijde (Papenhuyzen III, pag. 12). Men gebruikt knoopsgatenzijde voor het naaien van knoopsgaten. [N 59, 7b; N 62, 57; monogr.]
II-7
|
| 28855 |
knopengaren |
ijzergaren:
īzǝrgārǝ (L270p Tegelen)
|
Sterk linnen garen dat men gebruikt voor het maken van knoopsgaten en het aanhechten van knopen. De informant van Q 95 vermeldt dat men vroeger een dubbele draad door het oog van de naald deed, deze draad door de bijenwas trok en vervolgens over de handpalm draaide. Men noemde dat een pas. De antwoorden op deze vraag zijn in twee groepen verdeeld. De eerste groep bestaat uit woordtypen die het gebruik van het garen aangeven. De tweede groep woordtypen geeft informatie over de aard, de dikte of het merk van het materiaal. [N 59, 6d; N 62, 57]
II-7
|
| 34337 |
knorren |
knorren:
knǫrǝ (L270p Tegelen),
knoteren:
knōtǝrǝ (L270p Tegelen)
|
Het natuurlijke geluid van een varken. [N 19, 23; Wi 56; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 19350 |
knorrepot |
grasduivel:
cf. WNT V, kol 757 s.v. "grijzer": "iemand die grijst, grimt, zuur kijkt; bij uitbreiding: gemelijk oud man, grompot, knorrepot"; zie ook s.v. "grijzen (II)".
graas’duuvel (L270p Tegelen),
graspot:
cf. WNT V, kol 757 s.v. "grijzer": "iemand die grijst, grimt, zuur kijkt; bij uitbreiding: gemelijk oud man, grompot, knorrepot"; zie ook s.v. "grijzen (II)".
graaspot (L270p Tegelen),
graszak:
cf. WNT V, kol 757 s.v. "grijzer": "iemand die grijst, grimt, zuur kijkt; bij uitbreiding: gemelijk oud man, grompot, knorrepot"; zie ook s.v. "grijzen (II)".
graaszak (L270p Tegelen),
grauwelaar:
grau’welaer (L270p Tegelen),
griek:
greek (L270p Tegelen),
griekerd:
greekerd (L270p Tegelen),
griekkop:
greekkop (L270p Tegelen),
knoterzak:
knoo’terzak (L270p Tegelen)
|
iemand met een lastig karakter, mopperaar || knorrepot (iets minder ongunstig dan "graasduuvel") || knorrepot, gemelijk mens, vitter || stuurse, norse vent; nurks; kwaadaardige knorrepot
III-1-4
|
| 17880 |
knuppel, knots |
kluppel:
klöpəl (L270p Tegelen)
|
knuppel [RND]
III-1-2
|
| 34058 |
koe |
koe:
ku (L270p Tegelen),
kyi̯ (L270p Tegelen),
kȳi̯ (L270p Tegelen),
kȳǝ (L270p Tegelen),
køi̯ (L270p Tegelen)
|
Volwassen vrouwelijk rund, in de regel een rund dat één of meerdere keren gekalfd heeft. Zie afbeelding 5. Op de kaart is het woordtype koe niet opgenomen. [JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 11; Gwn V, 2a; L 1a-m; L 4, 37; L 5, 27b; L 7, 61b; L 14, 26 en 88; L 20, 11; L 27, 5 en 57; L 29, 44; L 38, 44; L 40, 21b; L 44, 16, 21a en 39; R 12, 29; R (s]
I-11
|
| 34066 |
koe die eenmaal heeft gekalfd |
eerste maal:
īrstǝ mǭl (L270p Tegelen),
verse maal:
vɛrsǝ mǭl (L270p Tegelen)
|
Zie afbeelding 6. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe''(3.3.1). [N C, 14a; monogr.]
I-11
|
| 34183 |
koe die pas gekalfd heeft |
vaars:
vǫrs (L270p Tegelen)
|
Voor een aantal varianten van vaars zou men kunnen denken aan een woord vers. Het wnt (xx-1, blz. 2125) vermeldt ''vers'' in de betekenis van "jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft" (wnt xviii, blz. 72). Het onderscheid tussen vers- en vaarsvarianten is niet altijd even duidelijk. Daarom is er gekozen voor één woordtype vaars.' [A 4, 16; L 20, 16]
I-11
|