| 23372 |
knielkussen |
knielkussen:
knielkussen (L270p Tegelen),
kussentje:
kuske (L270p Tegelen),
køͅsəkə (L270p Tegelen)
|
Het knielkussen op de kerkbank. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18151 |
knikkebenen |
met doorgezakte knie?n lopen:
mét doorgezakde kneen (L270p Tegelen)
|
lopen: met doorknikkende knieën lopen [kwakken] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22363 |
knikker |
bommetje:
bumke (L270p Tegelen),
Ook wel bij t trumpe of naoketse. (zie "straatspelen").
bumke (L270p Tegelen),
kuls:
köls, kölse (L270p Tegelen),
bumkes zien kölse van klei, sjtuiters guëf t ouch, /
kölse (L270p Tegelen),
Gewone aarden knikkers.
kulse(n) (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Sleeptt.
köls (L270p Tegelen)
|
1. Knikker. || Gegoten ijzeren stuiter in verschillende dikten. || Knikker, knikkers. || knikkers [SND (2006)] || Kogelvormig gegoten ijzeren stuiter, vnl. bij t knikkerspel gebruikt. || Verschillende soorten knikkers. [BN 03]
III-3-2
|
| 22633 |
knikker add. |
krijtschurger:
krietsjörger (L270p Tegelen),
kriétsjörger (L270p Tegelen)
|
Vrijwel waardeloze knikker van gips of krijt. || Zelfvervaardigde knikkers van gips of krijt.
III-3-2
|
| 22361 |
knikkeren |
kulsen:
kölse (L270p Tegelen),
køͅlsə (L270p Tegelen)
|
Lievelingsspel 1. [SND (2006)] || Over het knikkerspel: het knikkeren. [N R (1968)]
III-3-2
|
| 22364 |
knikkerkuiltje |
putje:
poetje (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
1. Kuiltje in de grond bij t knikkeren. || Kuiltje in de grond, waar gesjtoek werd.
III-3-2
|
| 22471 |
knikkers laten rollen |
luizeren:
luizere (L270p Tegelen),
slurmen:
Sub "Sjtoekke". [niet in woordenlijst]
sjlörme (L270p Tegelen)
|
Heel zacht en voorzichtig rollen [bij t knikkerspel sjtoekke]. || n Beugelbal, stuiter of knikker langzaam over de grond laten rollen om aldus het doel te treffen.
III-3-2
|
| 22820 |
knikkertermen |
knippen:
NB knippers: drukknopen.
knippe (L270p Tegelen),
tikkens-rechtoppes:
tikkes-rechoppes (L270p Tegelen),
Dit voor een niet-Limburger waarschijnlijk onbegrijpelijk woord betekent letterlijk: Terwijl men rechtop staat, een op de grond liggende knikker trachten te raken (tikke), door een andere vertikaal daarop te laten vallen.
tikkes-rech oppes (L270p Tegelen)
|
In rechtstandige positie een stuiter (of dikke knikker) naar beneden laten vallen, zodanig dat deze n op de grond liggende stuiter van de tegenspeler raakt. || Jongensspel met knikkers (zie kinderspelen [*!]). || Sub Knikkerspelen.
III-3-2
|
| 23004 |
knikkerzakje |
kulsenbuidel:
kölsembuul (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Katoenen of linnen zakje, waarin de jongens hun knikkers bewaren. || Linnen zakje voor het bewaren der knikkers.
III-3-2
|
| 25601 |
knipbrood |
knipbrood:
knepbruǝt (L270p Tegelen),
knipweg:
knepwē̜q (L270p Tegelen)
|
Brood waarin met behulp van schaar of mes een gleuf is aangebracht. Voor de overige broodsoorten en producten van het bakken zij verwezen naar het deel "Algemene Woordenschat". [N 29, 44b; N 29, 44a; N 29, 43]
II-1
|