| 21080 |
knabbelen |
knabbelen:
knabbele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
knagen:
knaage (L270p Tegelen),
knibbelen:
knibbele (L270p Tegelen),
knubbelen (L270p Tegelen)
|
knabbelen [knibbele] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 21347 |
knecht |
schraag:
šrāx (L270p Tegelen)
|
Het hulpgereedschap om lange werkstukken bij de bewerking aan de werkbank te ondersteunen. Zie ook afb. 115. Het woordtype de moede uit Herten (L 330) kan zowel ø̄iemand die moe isø̄ als ø̄iemand die lui isø̄ betekenen (Hertens woordenboek, pag. 180). [N 53, 212; N 53, 223b]
II-12
|
| 33338 |
knecht, algemeen |
boerenknecht:
būrǝknɛx (L270p Tegelen),
knecht:
knęxt (L270p Tegelen),
knɛx (L270p Tegelen),
werklui (coll.):
wɛrǝklȳi̯ (L270p Tegelen)
|
[L 1, a-m; S 26; Wi 8; monogr.; add. uit S 6]
I-6
|
| 29484 |
kneder |
boetseerder:
boetseerder (L270p Tegelen)
|
Arbeider die vaatwerk maakt dat niet gedraaid kan worden. [N 49, 32b]
II-8
|
| 24186 |
kneu |
heivink:
heivink (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Hoe heet de kneu? [DC 06 (1938)] || kneu
III-4-1
|
| 33939 |
knevels |
fretters:
frɛtǝrs (L270p Tegelen),
knevels:
knēvǝls (L270p Tegelen)
|
Beide haakjes aan de bitringen, die aan het hoofdstel worden opgehangen. [N 13, 45]
I-10
|
| 17677 |
knie |
knie:
kne. (L270p Tegelen)
|
knie [RND]
III-1-1
|
| 34221 |
knieband voor een stier of kalf |
knieënband:
knēnbaŋk (L270p Tegelen),
knieënhak:
knēnhakǝ (L270p Tegelen)
|
IJzeren, soms houten beugel of ring aangebracht ter hoogte van de knie, meestal met een touw om de horens. Deze knieband wordt bevestigd om de koeien los te kunnen laten lopen en tevens ze in bedwang te kunnen houden. [N 3A, 14c; monogr.]
I-11
|
| 23369 |
knielbankje |
knielbankje:
kneelbengske (L270p Tegelen),
kneelbenkske (L270p Tegelen),
knielbenkske (L270p Tegelen)
|
Het knielbankje van de kerkbank. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23536 |
knielen |
knielen:
kneele (L270p Tegelen)
|
Knielen, een kniebuiging maken [kniele, kneele, kneije?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|