| 18245 |
klompschoen |
klompenschoen:
klompesjoon (L270p Tegelen),
klompschoen:
klompsjoon (L270p Tegelen),
klompsjòon (L270p Tegelen),
klômpsjóon (L270p Tegelen),
lage klomp:
līeəgə klŏmpə (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men deze voetbekleedsels, indien het bovengedeelte op de voet niet van hout, maar van leer is gemaakt ? [DC 15 (1947)] || klompschoen (zwart) bestaande uit een houten zool en een lederen schoenachtig bovengedeelte [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 20531 |
klonteren |
klonteren:
kluntərə (L270p Tegelen)
|
klonteren; Hoe noemt U: Tot klonters koken, gezegd van b.v. pap (koeken, klonteren) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29812 |
kloostermop |
oude baksteen:
ājǝ bakštęj.n (L270p Tegelen
[(meervoud: ājǝ bakšt ̇ęjn)]
),
pruis:
prȳs (L270p Tegelen)
|
Oude gebakken metselsteen, groter dan de normale baksteen. Coopman (pag. 65) noemt deze steensoort ɛreuzenmopɛ en merkt erover op: ø̄̄werden vroeger in N.-Nederl. gebakken voor groote gebouwen. Heden niet meer. In vorige eeuwen waren zij 30, soms 40 duim lang. - In Vlaanderen noemde men en noemt men heden nog dergelijke maar kleinere steenen ɛkloostermoefenɛ.ø̄̄' [N 30, 53a; monogr.]
II-8
|
| 32308 |
klopijzer voor bodems |
bodemijzer:
bǭmīzǝr (L270p Tegelen),
zwanenhals:
zwānǝhals (L270p Tegelen)
|
Een S-vormig gebogen, metalen staaf waarmee men in Tegelen (L 270) de bodem van een vat in de kroos schuift. Om een bodem in de kroos te kunnen plaatsen, dienen de kopband en de halsband los te worden gemaakt. De kuiper schuift vervolgens de bodem verticaal in het vat, draait hem, schuift hem verder omhoog en duwt hem met het klopijzer in de kroos. Daarna maakt hij de beide banden weer stevig vast rond het vat. De tweede bodem wordt op identieke wijze aangebracht; om hem te draaien en omhoog in de kroos te schuiven werkt men met het klopijzer via het bomgat. [N E, add.]
II-12
|
| 19405 |
klopper, garde |
berkenbezem:
Klein bundeltje geschilde twijgjes, met \'n touwtje samengebonden, voor \'t kloppen van schuim, koekdeeg etc.
bêrke-bessem (L270p Tegelen),
kloprijsje:
kloͅprīskə (L270p Tegelen),
van berketakjes (om in de pap te kloppen)
kloprĭĕske (L270p Tegelen)
|
bezem gemaakt van berketwijgjes (rijsbezem, berkenbezem, berkenboender) [N 20 (zj)] || bindeltje van geschilde taaie twijgjes, in de keuken gebruikt voor \'t kloppen van zeepschuim, koekedeeg enz. Thans vervangen door de metalen garde van gegalvaniseerd ijzerdraad || borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18120 |
kloven |
doorsnijden:
dōršni-jǝ (L270p Tegelen),
kloven:
kloove (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
reten:
reete (L270p Tegelen),
reeten in de heng (L270p Tegelen),
rete (L270p Tegelen),
sprongen:
sprung (L270p Tegelen)
|
kloven in de hand [kloove, klieve, sprunge, kreewe] [N 10 (1961)] || Nadat het dier bestorven is, wordt het in twee delen verdeeld door het in de ruggegraat door te kappen. Soms laat men de ruggegraat aan één kant zitten en kapt men de ribben aan de andere kant los. Beide delen worden vervolgens apart verwerkt. [N 28, 89; Veldeke 32, 69; monogr.]
II-1, III-1-2
|
| 33675 |
kluit aarde |
kloot:
kloǝt (L270p Tegelen)
|
[N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.]
I-8
|
| 23223 |
kluizenaar |
kluizenaar:
kluizenaer (L270p Tegelen)
|
Een man die in een eenzame woning afgezonderd leeft van de wereld, kluizenaar [(h)er(r)emiet]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24095 |
kluizenaarswoning |
kluis:
kluis (L270p Tegelen)
|
De woning van zon kluizenaar [kloes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18792 |
kluwen |
kluwen:
klouwe (L270p Tegelen)
|
kluwen [SGV (1914)]
III-1-3
|