| 18200 |
klepbroek |
klepboks:
klepbòks (L270p Tegelen),
klepbóks (L270p Tegelen)
|
broek met een sluitklep aan de voorkant [klepboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 23215 |
klepel |
klepel:
klaepel (L270p Tegelen),
klepel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
De klepel van een klok [bengel?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23462 |
klepklok |
bimmetje:
et bimke (L270p Tegelen),
klimpje:
et klimpke (L270p Tegelen),
klokje:
klokske (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men deze kleinste klok?. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23218 |
kleppen |
klimpen:
klimpe (L270p Tegelen),
klimpen (L270p Tegelen),
7 a 8 minuten voor het begin van de mis
klimpen (L270p Tegelen)
|
Vóór de kerkdienst de kleinste klok luiden met korte slagen, anders gezegd: korte slagen geven met de kleinste klok [trumpe, kleppe, pimpe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 22377 |
kleppers |
klipperklappen:
De Nederlandse benaming is waarschijnlijk: klapspanen, of klappers. De klipperklappe bestonden uit twee smalle plankjes +-9 15 cm lang, 3 1/2 à 4 m breed en 6-8 mm dik, en werden gewoonlijk van hardhout (eiken- of beukenhout) gemaakt. Men nam de klipperklappe tussen wijs- en ringvinger, en wel zodanig, dat de middenvinger er tussen geklemd werd, en hield ze als Spaanse castagnetten vast. Men liet ze vervolgens snel op elkaar slaan, en maakte er aldus klepperende en naar verkiezing ook roffelende geluiden mee. Evenals de plankjes zelf noemde men ook dit klipperklappe.
klipperklappe (L270p Tegelen),
Door deze tussen wijs- en ringvinger te nemen, zodat de middenvinger er tussen geklemd zat, maakte men er klepperende en roffelende geluiden mee.
klipperklappe (L270p Tegelen)
|
Klapspanen, of klappers. || zn. 1. Twee smalle plankjes +- 15 cm lang, 3 1/2-4 cm dik, van hard hout, gewoonlijk beukenhout.
III-3-2
|
| 33997 |
kletsoor |
onderslag:
oŋǝršlāx (L270p Tegelen),
smikkeslag:
šmekǝšlāx (L270p Tegelen)
|
Dun eindje touw of leer aan het uiteinde van het snoer van de zweep dat bij het slaan een knallend geluid maakt. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 13, 95c; L B2, 245; L 8, 142; R 14]
I-10
|
| 21337 |
kletswijf |
hibbel:
Wordt vnl. van vrouwen gezegd.
hebbel (L270p Tegelen),
kletsmeun:
kletsmeun (L270p Tegelen),
toet:
tóet (L270p Tegelen)
|
kletskous, bemoeial || kletskous, praatziek vrouwspersoon || praatziek vrouwspersoon
III-3-1
|
| 25029 |
kleurx |
kleur:
kleur (L270p Tegelen)
|
kleur [DC 42B (1967)]
III-4-4
|
| 29825 |
klezoor |
klezoortje:
klǝzø̄̄rkǝ (L270p Tegelen),
kwart steen:
kwart štęjn (L270p Tegelen)
|
Het vierde deel van een metselsteen. Een klezoor kan door de metselaar worden gemaakt door met de troffel een deel van een metselsteen af te slaan. Daarnaast worden klezoren ook in het juiste formaat door steenfabrieken vervaardigd. Ze dienen tot het verkrijgen van een deugdelijk metselverband. [N 31, 19c; monogr.]
II-8
|
| 30130 |
klezorenverband |
klezorenverband:
klǝzōrǝnvǝrbaŋk, klǝzōrǝnvǝrbant (L270p Tegelen)
|
Metselverband dat doorgaans wordt toegepast bij halfsteensmuren. Het kan worden onderverdeeld in staand en lopend klezorenverband. Zie ook afb. 35. Een klezoor is drievierde deel van een normale metselsteen. In de tekeningen is deze steen met een kruis gekenmerkt. Het staand klezorenverband is als volgt opgebouwd: eerste laag: drieklezoor, strek, strek, strek, strek; tweede laag: kop, strek, strek, strek, strek; derde laag: drieklezoor, strek, strek, strek, strek, enz. Bij het lopend klezorenverband kent men de volgende indeling: eerste laag: drieklezoor, strek, strek, strek, strek; tweede laag: kop, strek, strek, strek, strek; derde laag: drieklezoor, kop, strek, strek, strek, strek; vierde laag: strekkenlaag (Westra, pag. 15). [N 31, 24f]
II-9
|