| 28718 |
kleinwerk |
klein werk:
klęjn wɛrk (L270p Tegelen)
|
Het werk dat bestaat uit het maken van kleine kledingstukken. [N 59, 194a]
II-7
|
| 20348 |
kleinzoon |
kleinkind:
kleinkĭnk (L270p Tegelen),
kleinzoon:
kleinzoon (L270p Tegelen)
|
kleinzoon [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 29463 |
kleioverschot |
afval:
āf˲val (L270p Tegelen),
kladding:
klateŋ (L270p Tegelen),
klets:
klɛts (L270p Tegelen)
|
De kleiafval afkomstig van de handen van de draaier, van het afdraaien en van het afschaven. [N 49, 19a; N 49, 19b; N 49, 19c]
II-8
|
| 29433 |
kleiput |
aardberg:
ē̜rt˱bɛrǝx (L270p Tegelen),
aardkuil:
ē̜rtkul (L270p Tegelen),
aardsgat:
ē̜rts˲gāt (L270p Tegelen),
de berg:
dǝn˱ bɛrǝx (L270p Tegelen),
kuil:
kul (L270p Tegelen),
leemkuil:
lęjmkul (L270p Tegelen),
leemsgat:
lęjms˲gāt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
leemskuil:
lęjmskūl (L270p Tegelen),
potberg:
pǫt˱bɛrǝx (L270p Tegelen)
|
Delfplaats waar klei als grondstof voor de fabricage van bakstenen met de hand wordt gestoken of met behulp van machines wordt afgegraven. [N 98, 17; monogr.] || Put, gegraven tot op de kleilaag. Volgens de invuller uit L 163 mocht men in de leemwei één √† twee steken uitgraven. [N 49, 2b] || Winningsplaats van klei die wordt gebruikt bij de vervaardiging van dakpannen. Zie ook de lemmata ɛpotaardeɛ en ɛdakpannenkleiɛ. Een aantal opgaven is mogelijk ook van toepassing op de plaats waar potaarde werd gestoken. Zie ook afb. 31.' [monogr.]
II-8
|
| 29848 |
kleischop |
aardschup:
ē̜̜rtšø̜p (L270p Tegelen)
|
Doorgaans van hout vervaardigde schop waarmee men de klei stak en op het transportmiddel schepte. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛsteekschop voor kleiɛ.' [monogr.]
II-8
|
| 29620 |
kleisteker |
aardemannetje:
ē̜rtmɛnkǝ (L270p Tegelen),
aardesteker:
ē̜rtštē̜kǝr (L270p Tegelen),
leemsteker:
lęjmštē̜kǝr (L270p Tegelen)
|
Arbeider die de klei voor bakstenen, dakpannen en greswaren steekt en in voorkomende gevallen ook op het vervoermiddel laadt. [N 98, 28; monogr.]
II-8
|
| 29644 |
kleivoorraadplaats |
leemshoop:
lęjmshǫwp (L270p Tegelen)
|
Plaats op het fabrieksterrein waar men de gestoken klei opslaat. De klei ondergaat daarbij al een eerste menging doordat de verschillende kleisoorten door elkaar gestort worden. Bovendien wordt de grondstof blootgesteld aan de invloed van regen en vorst waardoor ze mals wordt. [N 98, 59; monogr.]
II-8
|
| 32021 |
klemmen |
spannen:
španǝ (L270p Tegelen)
|
Een werkstuk met behulp van een lijmknecht, bankschroef, bankhaak, etc. vastzetten, bijvoorbeeld bij het lijmen. [N 53, 224a]
II-12
|
| 31975 |
klemspie in het kruishoutblok |
kijl:
kī.l (L270p Tegelen)
|
De houten wig in het kruishoutblok waarmee het kruishoutbeen kan worden vastgeklemd. Zie ook afb. 101. [N 53, 191d]
II-12
|
| 18626 |
klep (van pet) |
klep:
klip (L270p Tegelen)
|
klep van een pet [luif, luifel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|