| 32671 |
klein voorploegwiel |
bovenraadje:
bǭvǝrę̄tjǝ (L270p Tegelen)
|
Het kleine, doorgaans linker voorploegwiel dat "op de voor" loopt. Termen als landrad, tǝndwiel, landsrullen, veldwiel, buitenste rad en voorste rad zijn ook toepasselijk op het op de voor lopende wiel van een karploeg met twee even grote wielen. [N 11, 31.II.b; N 11A, 97b]
I-1
|
| 25159 |
klein wolkje |
schaapje:
sjèùpkə (L270p Tegelen)
|
klein wolkje [oliester] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20349 |
kleindochter |
kleindochter:
kleindochter (L270p Tegelen)
|
kleindochter [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 33318 |
kleine boerderij |
keuterij:
kø̄tǝrii̯ (L270p Tegelen)
|
Bij keuterij, e.d. in het noorden van de Nederlandse provicie wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de keuterboer gewoonlijk ook in dagloondienst is en géén paard bezit; zijn grond beslaat niet meer dan drie tot vijf hectaren. Ook hier vindt men, naast specifieke terminologie met name met het element keuter, ook veel omschrijvende benamingen met klein en diminutiva. Voor de fonetische documentatie van het type boerderij, zie het lemma "Boerderij, algemeen" (1.1.1). [A 10, 2c; A 30A, 3a, 3b en 3d; L 22, 1b; monogr.; add. uit L 38, 22]
I-6
|
| 29988 |
kleine bouwladder |
steekleider:
štē̜klęjǝr (L270p Tegelen)
|
Kleine ladder van ongeveer 1.75 m lengte die voornamelijk wordt gebruikt voor het werk binnenshuis. [N 32, 9b; monogr.]
II-9
|
| 20723 |
kleine hoeveelheid eten |
beetje:
Syst. WBD
bietje (L270p Tegelen),
greumeltje:
Syst. Veldeke
grumelke (L270p Tegelen),
klatsje:
Syst. Veldeke
kletske (L270p Tegelen),
kruimeltje:
Syst. Veldeke
kruumelke (L270p Tegelen),
Syst. WBD
krūūmelke (L270p Tegelen)
|
Welk woord kent u voor een zeer kleine hoeveelheid eten (een brusselke, een kriemelke?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17756 |
kleine neus |
klein neusje:
klei neͅske (L270p Tegelen)
|
Dat kind heeft een klein neusje. [DC 37 (1964)]
III-1-1
|
| 29813 |
kleine stenen |
drielings:
drejleŋs (L270p Tegelen),
vechtse stenen:
vę ̞xsǝ št ̇ęjn (L270p Tegelen)
|
Smalle, dunne baksteentjes. De invuller uit L 321 onderscheidt daarbij vier formaten: ɛvechtformaatɛ (21x10x4 cm), van klei; ɛwaalformaatɛ (21,5x10x5,5 cm), van klei, voor buitenwerk; ɛmaasformaatɛ (21,5x10x8,5 cm), wit, voor binnenwerk en ɛlilliputtersɛ (14,5x6,5x3,5 cm), mooi glad, voor schoorsteen en hal. In L 291 werd zoɛn kleine steen spottend ook wel een bakkersbrood (bɛk\rs˱brū\t) genoemd.' [N 30, 54a; monogr.]
II-8
|
| 21338 |
kleingeld |
kleingeld:
klei-geld (L270p Tegelen),
klein geld (L270p Tegelen),
wisselgeld:
wisselgeld (L270p Tegelen)
|
Klein geld [pasgeld, snuistergeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20347 |
kleinkinderen |
kleinkind:
kleinkinger
kleinkink (L270p Tegelen),
kleinkĭnk (L270p Tegelen)
|
kleinkind, kleinkinderen [DC 05 (1937)]
III-2-2
|