| 29855 |
kleihoop |
aardehoop:
ē̜rthǫwp (L270p Tegelen),
aardsgat:
ē̜rts˲gā.t (L270p Tegelen
[(kuil bij de pannenfabrieken voor het opslaan van de uit de kleigroeven aangevoerde ruwe klei: deze klei moet geruime tijd blijven liggen alvorens te kunnen worden gebruikt)]
)
|
Plaats op het fabrieksterrein waar men de gestoken klei opslaat. [monogr.]
II-8
|
| 29861 |
kleihuisje |
aardehuisje:
ē̜rthyskǝ (L270p Tegelen),
zomp:
zǫmp (L270p Tegelen)
|
Gebouwtje half onder de grond, waarin onder vrij lage temperatuur de klei tegen uitdrogen bewaard werd. [monogr.]
II-8
|
| 29633 |
kleikar |
kipkar:
kipkɛr (L270p Tegelen),
kipwagel:
kipwāgǝl (L270p Tegelen)
|
Slagkar waarmee de gegraven delfstof over de weg naar de voorraadplaats werd vervoerd. De kleikar werd getrokken door een paard. [N 98, 48; monogr.]
II-8
|
| 29629 |
kleikruiwagen |
bakschurgkar:
bakšø̜rkęr (L270p Tegelen),
schurgkar:
šø̜rkęr (L270p Tegelen)
|
Kruikar met bak, gebruikt om de gestoken klei vanuit de kleiput te vervoeren. De bak van de kruiwagen werd in Q 111 een kom (kǫmp) genoemd. Met de term taai(e)-kar (L 381) werd oorspronkelijk de kleikruiwagen aangeduid waarmee de gemalen klei van de kleimolen naar de vormtafel werd gebracht. Deze gemalen klei, die een hoge graad van taaiheid had bereikt, werd ook wel taaie (tę ̞j\) genoemd (Geuskens, pag. 36). [N 98, 43; monogr.]
II-8
|
| 29835 |
kleimaal |
aardmaal:
ē̜rtmǭl (L270p Tegelen),
aks:
aks (L270p Tegelen),
maal:
mǭl (L270p Tegelen)
|
Perceel of claim, bijvoorbeeld in bezit van de gemeente, waar klei gestoken werd. Het woordtype aks (L 270) werd gebruikt voor een perceel dat door twee of drie fabriekjes samen werd gëxploiteerd. [monogr.]
II-8
|
| 29453 |
kleimolen |
aardemolen:
ē̜rtmø̄̄lǝ (L270p Tegelen)
|
Toestel om klei te malen, bestaande uit een verticale cilinder, waarin om een as rieken en messen ronddraaien. De roterende beweging van het maalwerk werd aanvankelijk verkregen door paardekracht. Het paard dat de molen in beweging zette, werd in L 270 molenpaard (mø̄̄l\pē̜rt) genoemd). [monogr.]
II-8
|
| 33746 |
klein paard |
ardenner:
ardenner (L270p Tegelen),
dobbele pony:
dǫbǝlǝ pōni (L270p Tegelen),
hit:
het (L270p Tegelen),
kruisling:
krȳsleŋ (L270p Tegelen),
pony:
pōni (L270p Tegelen),
pǫni (L270p Tegelen),
shetlander:
šɛtlɛndǝr (L270p Tegelen)
|
Bedoeld is een paard dat lichter is dan een gewoon boerenpaard en dat men in de koets kan spannen. Een pony is lichter dan een bidet, die op zijn beurt niet zo zwaar als een ardenner is (P 49). Een dubbele pony is zwaarder dan een (enkele) pony of bidet (L 424). Een bidet, iets groter dan een pony, dient veelal als loop- en koetspaard (P 192, Q 168, 242). Een hit - waarbij eveneens een onderscheid tussen enkele en dubbele hit wordt gemaakt - kan vergeleken worden met een pony of bidet. Een ardenner is kort, dik en gedrongen (P 46), groter dan een pony maar kleiner dan een gewoon paard. Uit de antwoorden blijkt een sterke wisseling van de accentuering in pony en bidet. Pony met initiaal accent is aan het Nederlands, met finaal acent aan het Franse poney ontleend. De beginaccentuering in bidet gaat op een autonome ontwikkeling in de dialecten terug. Buiten de genoemde termen komen er nog een vrij groot aantal andere voor. Zie afbeelding 1. [JG la, lb, lc, 2c; N 8, 62a, 62b, 62c en 62d; A 4, 3; L 20, 3], [JG la, lb, lc, 2c; N 8, 62a, 62b, 62c en 62d; A 4, 3; L 20, 42], [JG la, lb, lc, 2c; N 8, 62a, 62b, 62c en 62d; A 4, 3; L 20, 83]
I-9
|
| 17544 |
klein persoon |
kleine dabber:
hèè is eine kleine debber (L270p Tegelen)
|
klein van gestalte [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21042 |
klein stukje vlees |
knammel:
gewoonlijk van mindere kwaliteit Verklw. knemmelke
knam’mel (L270p Tegelen)
|
klein stukje vlees
III-2-3
|
| 17543 |
klein van gestalte |
klein van postuur:
hae is klein van posjteur (L270p Tegelen),
klein van stuk:
hae is klein van stuk (L270p Tegelen)
|
klein van gestalte [N 10 (1961)]
III-1-1
|