| 34001 |
inspannen |
inspannen:
enšpanǝ (L270p Tegelen)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|
| 29859 |
insteken |
insteken:
enštē̜kǝ (L270p Tegelen)
|
Klei in de molen brengen. [monogr.]
II-8
|
| 29860 |
insteker |
insteker:
enštē̜kǝr (L270p Tegelen)
|
Arbeider die de klei in de molen bracht. [monogr.]
II-8
|
| 28556 |
interen |
interen:
entę̄rǝ (L270p Tegelen)
|
Het aanspreken van de voorraad voedsel door de bijen, die in wintertros bij elkaar hangen. [N 63, 54c]
II-6
|
| 23605 |
introïtus |
introtus (<lat.):
introojtus (L270p Tegelen)
|
De intredezang, introïtus, door het koor gezongen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25589 |
invetten |
smeren:
šmē̜rǝ (L270p Tegelen)
|
Blik, vorm of plaat invetten om aankleven van het deeg te voorkomen. [N 29, 38a; monogr.]
II-1
|
| 31796 |
inzagingen maken |
inkepen:
enkēpǝ (L270p Tegelen)
|
Sleuven in het hout zagen waardoor de veerkracht ervan vergroot wordt en het hout gemakkelijker gebogen kan worden. [N 53, 23b]
II-12
|
| 25622 |
inzakken |
neerslaan:
nēršlǭn (L270p Tegelen),
zakken:
gezakt (L270p Tegelen)
|
Het inzakken van het brood op de plaats waar een stuk onrijp deeg zit. Er komen verschillende grammaticale categorieën voor in dit lemma. [N 29, 68b]
II-1
|
| 25626 |
inzakken of inzakking |
neergeslagen brood:
nērgǝšlāgǝ bruǝt (L270p Tegelen)
|
Het inzakken of de inzakking van het brood, ontstaan doordat de deegpunten niet over elkaar vallen. In dit lemma komen verschillende grammaticale categorieën voor. [N 29, 71; monogr.]
II-1
|
| 29034 |
inzepen |
met perszeep insmeren:
met pɛrszęjp enšmērǝ (L270p Tegelen)
|
Het gebruiken van zeep bij het gladmaken en openpersen van de naden. Volgens de informant van Q 198 wordt dit daar niet gedaan, omdat het stof dan tussen de naden blijft zitten. [N 59, 79; N 59, 186]
II-7
|