| 25433 |
ingewanden van geslacht vee |
geslungs:
gǝšløns (L270p Tegelen),
ingewanden:
engǝwandǝ (L270p Tegelen)
|
Ingewanden van geslacht vee. Ook de algemene benamingen voor "ingewanden van vee" zijn hier opgenomen. [N 28, 58; N 28, 88; L 1a-m; L 1u, 106; Veldeke 26, 23; monogr.]
II-1
|
| 25434 |
ingewanden verwijderen |
uithalen:
ǝthǭlǝ (L270p Tegelen)
|
Als het dier opgehangen is, snijdt de slachter de buik open, waarna hij de ingewanden (maag, darmen e.d.) verwijdert. Om het dier lichter te maken en het dus gemakkelijker te kunnen ophijsen, gebeurde dit bij een rund vroeger - voordat het gebruik van katrollen e.d. meer algemeen werd - terwijl het dier nog op de burrie lag. Een bij het woordtype genoemd object wordt niet fonetisch gedocumenteerd. Zie voor deze varianten van ''darmen'', ''pens'' e.d. het lemma ''ingewanden van geslacht vee''. [N 28, 59; monogr.]
II-1
|
| 28635 |
ingewinterd volk |
opzetter:
opzetter (L270p Tegelen)
|
Volk dat men op stal zet voor de winterperiode vanaf november tot begin maart. [N 63, 107b; N 63, 107a; monogr.]
II-6
|
| 33017 |
ingezaaid land |
ingezaaid:
engǝzɛi̯t (L270p Tegelen),
klaar:
klǭr (L270p Tegelen)
|
Wat men zegt van een akker wanneer alle bewerkingen tot en met het inzaaien verricht zijn. Zie ook het lemma ''pletplank, treedplankje'' in aflevering I.2, blz. 168. Het lemma bevat bijvoeglijke naamwoorden (attributief of predicatief gebruikt: ''ingezaaid land'' en ''het land is ingezaaid''), en, achterin, enkele zelfstandige naamwoorden en zegswijzen. [N 11A, 133b; N M, 25; monogr.]
I-4
|
| 24960 |
inham |
inham:
inham (L270p Tegelen)
|
inham, in het land inspringend gedeelte van een zee, meer of riveri [inpamp] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33030 |
inkappen, eerste slagen maken met de zicht |
aanmaaien:
ān[maaien] (L270p Tegelen)
|
De eerste slagen met de zicht maken in een aan te maaien akker en tevens het uitvoeren van de "eerste fase" van de zichtbehandeling; zie de algemene toelichting van deze paragraaf. De terminologie wordt soms ook gebruikt voor het maken van de eerste gang voor de maaimachine; dit wordt uitdrukkelijk vermeld in K 316, L 270, 294, 320c, 355, 360, 372, 419, 420, 432, P 186, Q 99*, 121c, 197, 197a. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [maaien], zie het lemma ''maaien'' (3.1.1) en de klankkaart (kaart 7) in aflevering I.3. [N 15, 16j; JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 23, 16.2; L 48, 32.2; Lu 1, 16.1a; monogr.; add. uit N 15, 16f]
I-4
|
| 33259 |
inkarnaatklaver, franse klaver |
franse klee:
fransǝ [klee] (L270p Tegelen),
inkarnaatklee:
inkarnaatklee (L270p Tegelen)
|
Trifolium incarnatum L. Een 15 tot 60 cm hoge plant met helder scharlakenrode bloemhoofdjes die van mei tot juli bloeien. Het wordt in augustus gezaaid, levert in mei een flinke snee groenvoer op en wordt dan ondergeploegd. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; L 36, 35; monogr.]
I-5
|
| 32031 |
inkepen |
uitkepen:
ūtkēpǝ (L270p Tegelen)
|
Met behulp van de zaag of beitel een groef in het hout maken, meestal met als doel om daar een ander stuk hout in of aan te voegen. [N 53, 237b]
II-12
|
| 21687 |
inkomsten |
inkomen:
inkòmme (L270p Tegelen),
⁄t inkômme (L270p Tegelen)
|
inkomsten, de ontvangsten, het inkomen [inkomende, inbeur?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21691 |
inkopen gaan doen op de markt |
markten:
Opm. betekent: gaan kopen of verkopen op de markt.
merte (L270p Tegelen),
naar de markt gaan:
nao de mèrt gaon (L270p Tegelen)
|
inkopen gaan doen op de markt [markten, merten?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|