| 32907 |
ijzeren gaffel, oogstgaffel |
gaffel:
gafǝl (L270p Tegelen),
hooigaffel:
[hooi]gafǝl (L270p Tegelen),
strogaffel:
stryǝgafǝl (L270p Tegelen)
|
Twee- of drietandige ijzeren vork, met lange, enigszins gebogen tanden en een lange houten steel, gebruikt om hooi of korenschoven op te steken en op de wagen te laden. Zie afbeelding 10, b. Voor het voorkomen van de term riek en van varianten van het type gāfel, zie de toelichting bij het lemma ''houten gaffel''. Voor de fonetische documentatie van het woorddel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 27; JG 1a, 1b; A 28, 2; L 1 a-m; L 16, 18a; L B2, 241; Lu 6, 2; S 9; Wi 3; Av 1 III 5a, b; monogr.]
I-3
|
| 25371 |
ijzeren pin waarmee men het slachtvee verdooft |
ijzeren pin:
izǝrǝ pen (L270p Tegelen),
pin:
pe.n (L270p Tegelen)
|
De woordtypen in dit lemma kunnen op verschillende zaken duiden. Men kan ermee bedoelen de ijzeren pin die uit het schietmasker gedreven wordt of de pin die op een hamer waarmee men het dier op de kop slaat, is bevestigd, of de pin van het penapparaat. Dit laatste werktuig is een voorloper van het penschietmasker. Zie ook de toelichting bij het lemma ''schietmasker''. [N 28, 5b; N 28, 5d; monogr.]
II-1
|
| 18348 |
ijzertje onder een schoen |
beslag:
bešlag (L270p Tegelen),
ijzertje:
iezerkes (L270p Tegelen),
schoenbeslag:
sjoonbesjlàag (L270p Tegelen),
sjoonbešlag (L270p Tegelen)
|
ijzertje onder de schoen [blakei] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29456 |
in de kleimolen bewerken |
klei malen:
klęj mālǝ (L270p Tegelen)
|
De klei met behulp van de kleimolen snijden en mengen. Deze werkzaamheden bevorderen de plasticiteit en doorkneedbaarheid van de klei. [N 49, 17b]
II-8
|
| 29454 |
in de kleimolen brengen |
insteken:
enštē̜kǝ (L270p Tegelen)
|
Klei in de kleimolen brengen. [N 49, 17a]
II-8
|
| 33613 |
in de moestuin werken |
in de hof werken:
in d’n hōͅf werke (L270p Tegelen),
tuinieren:
tuineere (L270p Tegelen)
|
[N P (1966)]
I-7
|
| 20684 |
in de schil gekookte aardappelen |
pelpatatten:
Syst. WBD
pelpetatte (L270p Tegelen),
pèlpetatte (L270p Tegelen),
veldhondjes:
Syst. Veldeke Omdat ze in het veld bij het werk -uitdoen- geroosterd werden in het loof?
veldhunkes (L270p Tegelen)
|
In de schil gekookte aardappelen (zwelmennekes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 29885 |
indragen |
indragen:
endrāgǝ (L270p Tegelen)
|
De gedroogde pannen naar de oven brengen. [monogr.]
II-8
|
| 28476 |
ingelegd |
aangezet:
āngǝzat (L270p Tegelen),
belegd:
bǝlax (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een moerdop of van een cel, wanneer er door de koningin een eitje in is gelegd. [N 63, 22a; N 63, 21a; N 63, 18; Ge 37, 69]
II-6
|
| 17701 |
ingewanden |
binnenste, het -:
t binneste (L270p Tegelen),
darmen:
derm (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
ingewanden:
ingewande (L270p Tegelen),
ingewanden (L270p Tegelen)
|
ingewanden [N 10a (1961)]
III-1-1
|