| 22756 |
ijsbaan |
slidderbaan:
sjlidderbaan (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
Glijbaan op ijs of sneeuw. || Kinderen maken op de sneeuw of het ijs wel een gladde baan, door er telkens en achter elkaar overheen te glijden. Hoe noemt men deze baan in uw dialect? [DC 44 (1969)]
III-3-2
|
| 17942 |
ijsberen |
drentelen:
drentele (L270p Tegelen),
ijsberen:
iesbaere (L270p Tegelen),
op en neer lopen:
op en neer loupe (L270p Tegelen),
rondrennen:
ronkrénne (L270p Tegelen)
|
lopen: zenuwachtig heen en weer lopen [drentele] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 23827 |
ijsheiligen |
ijsheiligen:
iesheilige (L270p Tegelen)
|
12-14 mei, de ijsheiligen [ieshillieje]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 18639 |
ijsmuts |
ijsmuts:
iésmuts (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
ijsmuts [N 25 (1964)] || muts, wollen spits toelopende ~ met pluim of kwast [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 25154 |
ijspegel |
ijspegel:
ies-peegels (mv.) (L270p Tegelen),
iëspegels (mv.) (L270p Tegelen),
īēspeegels (mv.) (L270p Tegelen),
ijspik:
ies-peeke (mv.) (L270p Tegelen),
iespeke (mv.) (L270p Tegelen),
īēspeeke (mv.) (L270p Tegelen)
|
ijspegels aan het dak of aan de vensterbanken [ijskeekels, -pinnen, -kikkels, kakels] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 24174 |
ijsvogel |
ijsvogeltje:
iesvögelke (L270p Tegelen)
|
ijsvogel
III-4-1
|
| 25134 |
ijzel, bevroren neerslag |
ijzel:
iesel (L270p Tegelen),
iessel (L270p Tegelen),
ies⁄sel (L270p Tegelen),
īēzel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Nb. Korte "ie".
iessel (L270p Tegelen)
|
ijzel || ijzel, onderkoelde regen waarvan de straten spiegelglad worden [heezel, hijzel] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25157 |
ijzelen |
ijzelen:
iesele (L270p Tegelen),
iessele (L270p Tegelen),
iezele (L270p Tegelen),
īēzele (L270p Tegelen),
īēzelen (L270p Tegelen)
|
ijzelen [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 33420 |
ijzeren deurtje voor het ovengat |
ovendeurtje:
[oven]dø̄rkǝ (L270p Tegelen)
|
Het ijzeren deurtje waarmee het ovengat afgesloten wordt. Vergelijk het lemma "ovendeur" in aflevering II.1, pag. 71. Vroeger gebruikte men ter afslsuiting van de oven soms een lemen bal, die schotel genoemd werd. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (oven-) het lemma "bakoven" (3.1.3). [N 5A, 25b]
I-6
|
| 32304 |
ijzeren drevels, deuvels |
kuipersnagelen:
kȳpǝrsnē̜gǝl (L270p Tegelen),
kuipersstiften:
kȳpǝrsšteftǝ (L270p Tegelen),
stiften:
šteftǝ (L270p Tegelen)
|
De tweepuntige stalen nagels waarmee de verschillende bodemplanken met elkaar verbonden worden. [N E, 38c]
II-12
|