| 22183 |
houtduif |
houtduif:
holtdoef (L270p Tegelen)
|
houtduif
III-4-1
|
| 32303 |
houten drevels, deuvels |
drevels:
dręjvǝls (L270p Tegelen),
houteren pinnen:
hø̜ltǝrǝ pen (L270p Tegelen)
|
De houten pennen waarmee de verschillende bodemplanken met elkaar verbonden worden. Zie ook afb. 223 en het lemma ɛdeuvelɛ in de paragraaf over de vaktaal van de timmerman.' [N E, 38d]
II-12
|
| 32906 |
houten gaffel, schudgaffel |
gaffel:
gafǝl (L270p Tegelen),
hooigaffel:
[hooi]gafǝl (L270p Tegelen),
schudgaffel:
sxø̜t˲gafǝl (L270p Tegelen)
|
Houten gaffel met twee lange en enigszins gebogen tanden en een korte steel, doorgaans uit een gevorkte tak gesneden; gebruikt om het hooi te spreiden en te keren, maar ook voor andere doeleinden zoals het opschudden van de graanhalmen bij het dorsen met de vlegel, of het strooien van strooisel en voeder voor de dieren in de stal. Zie afbeelding 10, a. Hoewel in het algemeen de term riek een stuk gereedschap aanduidt met méér dan twee tanden, heeft het woord oorspronkelijk en nog in sommige dialecten ook wel de betekenis van een tweetandige vork, met name dan de vork waarmee het hooi wordt opgestoken (zie het lemma ''oogstgaffel''); de opgaven in dit lemma zijn alle dubbelopgaven, naast gaffel of vork. Buiten Haspengouw en het gebied rond Lommel duidt de combinatie van een lange klinker en de letter f in de varianten van het type gaffel wel op een contaminatie van gaffel en gavel; ze staan telkens aan het slot van de varianten onder het type gaffel bijeen. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 30; A 28, 6; L 16, 18c; L B2, 243; Lu 6, 6; Av 1, III, 5e; monogr.]
I-3
|
| 31466 |
houten hamer |
houteren hamel:
hø̜ltǝrǝ hāmǝl (L270p Tegelen)
|
Hamer die geheel uit hardhout is vervaardigd. Zie ook afb. 89. De houten hamer wordt onder meer gebruikt bij bepaalde soorten beitels en om houtverbindingen aan te slaan. [N 53, 127; L 1a-m; monogr.]
II-12
|
| 25369 |
houten hamer waarmee men het slachtvee verdooft |
houteren hamel:
hø̜ltǝrǝn hāmǝl (L270p Tegelen),
houteren hamer:
hø̜ltǝrǝn hāmǝr (L270p Tegelen)
|
Uit verschillende toelichtingen bij de opgaven valt op te maken dat deze hamer voornamelijk bij de varkensslacht in gebruik is. Op de hamer zit soms een ijzeren pinnetje dat door de schedel van het dier wordt gedreven om zo de hersenen te beschadigen. Niet voor alle woordtypen kan de garantie gegeven worden dat ze een "houten hamer" aanduiden. [N 28, 5a; N 28,10c; monogr.]
II-1
|
| 30076 |
houten klosje |
klotsje:
klø̜tskǝ (L270p Tegelen)
|
Houten klosje met daarin een geboord gat waarlangs het touw met aan de onderzijde het gewicht van het schietlood, naar beneden kan zakken. Zie ook afb. 29. [N 30, 11b; monogr.]
II-9
|
| 19552 |
houten lepel |
houteren lepel:
Alle houten lepels, groot of klein hadden dezelfde naam.
höltere laepel (L270p Tegelen)
|
lepel, houten ~; inventarisatie benamingen (boterspaan); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18355 |
houten sandaal |
klepper:
Van Dale (online): klepper, 3) houten sandaal.
klepper (L270p Tegelen),
kleppers (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sandaal:
sendaal (L270p Tegelen)
|
sandaal-achtig voetbekleedsel bestaande uit een houten zool en enkele riempjes over de voet [triep, klepper] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34367 |
houten stamper |
kuis:
kȳs (L270p Tegelen),
patattenstamper:
pǝtatǝštampǝr (L270p Tegelen),
varkenskuis:
vɛrkǝskȳs (L270p Tegelen)
|
Houten stamper om aardappelen voor de varkens mee tot puree te stampen. [N 18, 133; N 18, 134; S 20, add.; monogr.]
I-12
|
| 19974 |
houtmolm |
molm:
molm (L270p Tegelen),
mulm (L270p Tegelen)
|
houtmeel [DC 30 (1958)] || pulver van houtworm [DC 42b (1967)]
III-2-1
|