| 24169 |
hop |
hophap:
hoep=hap (L270p Tegelen),
hoephap (L270p Tegelen)
|
hop
III-4-1
|
| 32926 |
hopen spreiden |
omstoten:
ø̜mštutǝ (L270p Tegelen),
uitereenbreken:
utręi̯nbrɛ̄kǝ (L270p Tegelen)
|
Het uiteengooien van de middelgrote soort hopen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hopen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 109]
I-3
|
| 17733 |
horen |
horen:
hø̜̜̄̄rǝ (L270p Tegelen),
koehoren:
kuhø̜̜̄̄rǝ (L270p Tegelen),
ringeloor:
reŋǝlūr (L270p Tegelen)
|
Koehoren of ander instrument voor het aanbrengen van versieringen op het werkstuk. De horen bezat een afgezaagde punt en werd gevuld met engobe. Het te versieren voorwerp liet men langzaam op de schijf ronddraaien en bracht dan de sierlijnen aan. Zie ook afb. 10. In L 270 gebruikt men voor het ringeloren een vloeibare gele klei die pijpenaarde (pī̄p\ē̜rt) werd genoemd. [N 49, 47; monogr.]
II-8
|
| 25411 |
horens verwijderen |
afzagen:
āfzāgǝ (L270p Tegelen)
|
Als de kop tot aan de horens afgehuid is, worden ze met een (hak)mes of een zaag bij de inplant verwijderd. In vele gevallen worden de horens met een bijl erafgeslagen. De woordtypen "blijven" en "ze aan het vel laten" duiden erop dat de horens a.h.w. aan de huid blijven vastzitten. [N 28, 42; monogr.]
II-1
|
| 25136 |
horizon |
einder:
eindər (L270p Tegelen)
|
horizon, de lijn waar hemel en aarde elkaar lijken te raken [einder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33457 |
horizontale draaibare sluitbalk van een poort |
sluitwervel:
šlūtwɛrǝvǝl (L270p Tegelen)
|
Een draaibare sluitbalk ter halve hoogte van een poort, in het midden vast bevestigd aan een van de poortvleugels. In horizontale stand gedraaid vallen de uiteinden in een bevestiging en is de poort afgesloten; in vertikale stand is de poort geopend. De sluitbalk wordt dan om hinder te voorkomen vaak boven en onder vastgezet. Zie afbeelding 20. [add. uit N 5A, 54a; N 4A, 48; A 49, 4]
I-6
|
| 33456 |
horizontale sluitbalk van een poort |
knevel:
knēvǝl (L270p Tegelen),
sluitbalk:
šlūt˱balǝk (L270p Tegelen)
|
Een losse balk, soms een stevige stok, die horizontaal wordt aangebracht achter de beide poortvleugels door hem achter haken te leggen. Zo is de gehele poort gesloten. Deze afsluiting bevindt zich meestal ter halve hoogte. Door functionele overeenkomst kunnen sommige benamingen ook in gebruik zijn voor andere afsluitingen. [N 5A, 54a; N 4A, 48; monogr.]
I-6
|
| 18233 |
horloge |
horloge:
Vero.
reloozie (L270p Tegelen)
|
horloge
III-1-3
|
| 34216 |
houder van slachtvee |
vetweider:
vɛtwɛi̯ǝr (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 77d]
I-11
|
| 28153 |
houtboor |
houtboor:
hǫwt˱bō̜r (L270p Tegelen)
|
In het algemeen een werktuig om ronde gaten in hout te maken. Om dit te bereiken plaatst men in de houtboor een boorijzer dat, wanneer men het laat draaien, als een kurkentrekker in het hout dringt. Daarbij worden de houtdeeltjes afgesneden en naar boven geleid, waardoor er een gat ontstaat. Zie ook het lemma ɛhoutboorɛ in Wld II.5, pag. 158.' [N 33, 133; N 53, 160a]
II-12
|