| 18187 |
hoofddoek |
kopdoek:
kopdook (L270p Tegelen),
kopdoekje:
kopdukske (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
hoofddoek dichtgeknoopt onder de kin [plak, pleksek, kopdeuksek, zielewermer] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20767 |
hoofdkaas |
hoofdvlees:
huidvleès (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hoofdkaas [DC 30 (1958)]
III-2-3
|
| 23305 |
hoofdkap van vrouwelijke religieuzen |
zusterskap:
zusterskap (L270p Tegelen)
|
hoofdkap van vrouwelijke religieuzen [N 25 (1964)]
III-3-3
|
| 24344 |
hoofdluis |
beestje:
Veldeke (iets gewijzigd) soms
biësje (L270p Tegelen),
bijtertje:
bie’terkes (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd) soms
bieterke (L270p Tegelen),
luis:
lŏĕs (L270p Tegelen),
lóes (L270p Tegelen),
mv
luus (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
luus (L270p Tegelen),
lóes (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
luus (L270p Tegelen),
’n loes (L270p Tegelen),
’n loews (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd) mv luus
’n loews (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd) mv. luus
’n loes (L270p Tegelen)
|
hoofdluis [N 26 (1964)] || luis [N 26 (1964)] || luis (znw enk) [N 26 (1964)] || luis (znw mv) [N 26 (1964)] || luizen
III-4-2
|
| 18059 |
hoofdpijn |
koppijn:
koppiën (L270p Tegelen)
|
hoofdpijn [DC 27 (1955)]
III-1-2
|
| 32658 |
hoofdplaat |
hakplaat:
hakplāt (L270p Tegelen),
schuurplaat:
šūrplāt (L270p Tegelen)
|
De hoofd- of zijplaat, ook wel tegenzool of grondweerplaat genoemd, is een terzijde van de ploegzool aangebrachte ijzeren plaat, die niet alleen als versterking van de ploegzool dient, maar ook en vooral de wand van de voor moet glad strijken om te verhinderen dat deze afbrokkelt en er aarde in de ruimte van het ploeglichaam valt. Soms stond deze plaat van boven in verbinding met de ploegboom. Sommige van de onderstaande termen worden ook in het lemma PLOEGBOOMBESLAG aangetroffen. Ze lijken vooral op de versterking van de poegzool te wijzen.
I-1
|
| 33932 |
hoofdstel |
hoofdsel:
hø̜i̯tsǝl (L270p Tegelen),
kopstel:
kǫpštɛl (L270p Tegelen)
|
Stel van leren riemen op het hoofd van het paard als het ingespannen is. Het woordtype hoofdsel is vermoedelijk ontstaan uit hoofdstel. Loesj als simplex of als eerste lid van een samenstelling gaat terug op het Franse louche "schuin/scheel". [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 17; R 3, 60; monogr.]
I-10
|
| 23341 |
hoofdtooi van communiemeisjes |
communiesluier:
kemuunie-sjluier (L270p Tegelen)
|
Sluier, lange witte ~ met een kroontje van wasbloempjes, hoofdtooi van Communiemeisjes. [N 25 (1964)]
III-3-3
|
| 23210 |
hoogdag |
hoge feestdag:
hoöge fieesdaag (L270p Tegelen)
|
Een hoge kerkelijke feestdag [hoogdag, hoogtijd]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 34161 |
hoogdrachtig |
drachtig:
draxtex (L270p Tegelen)
|
Duidelijk drachtig. [N 3A, 34]
I-11
|