| 20623 |
hongerig |
hongerig:
hongerig (L270p Tegelen),
hungerig (L270p Tegelen),
hóngerig (L270p Tegelen),
schrokkerig:
(sjrokkerig) (L270p Tegelen)
|
hongerig [greeg] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 21043 |
honing |
honing:
hōneŋ (L270p Tegelen)
|
Produkt door de bijen uit bloemvocht of nectar bereid en afgezet in de cellen van de raten. Honing is een zoete stof die door mensen als voedingsmiddel wordt gebruikt. [N 63, 43b; N 63, 111; L 1a-m; L 35, 105; S 14; S 38, JG 1a+1b; JG 2b-5; Ge 37, 128; A 9, 8; monogr.]
II-6
|
| 28549 |
honing halen uit klaver, linde enz |
vliegen op:
vlēgǝ op (L270p Tegelen)
|
Het verzamelen van honing en stuifmeel door de bijen uit klaver, linde enz. [N 63, 51; Ge 37, 81]
II-6
|
| 28542 |
honingkrans |
honingrand:
hōneŋraŋk (L270p Tegelen)
|
Groep cellen om de stuifmeelkrans heen gelegen, waarin de honing wordt opgeslagen. [N 63, 46c; N 63, 46b]
II-6
|
| 17570 |
hoofd |
hoofd:
i.e. hoofd; b.v. op zien huid zitte.
huid (L270p Tegelen),
kop:
kop (L270p Tegelen),
kóp (L270p Tegelen),
B.v. op ziene kop gevalle (= niet goed wijs).
kop (L270p Tegelen),
dae haet eine kop op
kop (L270p Tegelen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17571 |
hoofd (spotnamen) |
bol:
bòl (L270p Tegelen),
bôl (L270p Tegelen),
bolles:
bôlles (L270p Tegelen),
bums:
bums (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kiebus:
kêbes (L270p Tegelen),
knikker:
knikker (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
dae haet eine ronge knikker
knikker (L270p Tegelen),
kuls:
köls (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
plaat:
B.v. op zien plaat vaege.
plaat (L270p Tegelen),
tets:
tèèts (L270p Tegelen),
têts (L270p Tegelen),
tuts:
toets (L270p Tegelen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23420 |
hoofdaltaar |
hoofdaltaar:
haufaltaor (L270p Tegelen),
hauftaltaor (L270p Tegelen),
hoogaltaar:
hoeegaltaor (L270p Tegelen)
|
Het voornaamste altaar, midden in het priesterkoor [hoogaltaar, hoofdaltaar, hoopaltooër?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 32771 |
hoofdbalken van de eg |
balken:
balǝkǝ (L270p Tegelen),
bɛlǝk (L270p Tegelen)
|
De rechte of lichtelijk gebogen, zwaardere balkjes van het egraam, die door de lichtere scheien op een bepaalde afstand van elkaar gehouden worden. Meestal zijn - vooral bij de vierhoekige eg - in deze balken de tanden aangebracht. Voor de plaatsen waar men voor de hoofdbalken van de eg geen aparte term gebruikt, zie men het vorige lemma. [JG 1a + 1b; N 11, 69a; N 11A, 155a; monogr.]
I-2
|
| 34638 |
hoofdbord |
kop:
kǫp (L270p Tegelen),
kroon:
kruǝn (L270p Tegelen)
|
Vaste, schuin boven het wiel geplaatste voorwand van de kruiwagen. [N 18, 98b + 99 + add; N G, 53c; JG 1a; JG 1d; monogr]
I-13
|
| 32244 |
hoofdbordsteunen |
sproten:
šprǭtǝ (L270p Tegelen)
|
De twee houten of metalen steunen die de verbinding vormen tussen de bovenzijde van het hoofdbord en de berries van de kruiwagen. Het hoofdbord krijgt daardoor extra stevigheid. Zie ook afb. 203 en het lemma ɛhoofdbordɛ in wld I.13, pag. 90.' [N G, 53e]
II-12
|