| 29817 |
holle steen |
holle bouwsteen:
hǫlǝ bǫwštęj.n (L270p Tegelen),
holle steen:
hǭlǝ štęj.n (L270p Tegelen),
kanaalsteen:
kanālštęj.n (L270p Tegelen),
steen voor onderslagmuren:
štęj.n vø̄̄r oŋǝršlāxmū.rǝ (L270p Tegelen)
|
Metselsteen die niet massief is. Holle stenen kunnen diverse vormen en afmetingen vertonen en worden onder meer gebruikt voor gewelven, zolderingen en lichte tussenmuren. Ze worden ook toegepast bij het opmetselen van rookkanalen en luchtkokers. Zie ook afb. 27. Het betreft daar een holle spie- of boogsteen. De woordtypen zwemsteen (L 289) en zwembrik (Q 12) verwijzen naar het feit dat holle stenen licht van gewicht kunnen zijn door het gebruik van poreuze grondstoffen als natuurbims, kunstbims of gegranuleerde hoogovenslakken; als bindmiddel wordt dan hydraulische kalk, cement of een mengsel van beide toegepast. [N 30, 54c]
II-8
|
| 30165 |
holronde voegspijker |
bolrond voegijzer:
bǫlroŋk ˲vōx˱īzǝr (L270p Tegelen)
|
Voegspijker waarvan het blad een ronde doorsnede heeft. Werken met de holronde voegspijker leverde volgens de zegsman uit L 382 hol voegwerk op, volgens de invullers uit Q 95a en Q 121 ronde voegen. Zie voor het woordtype 'pannenstrijker' (Q 111) ook het lemma 'Pannenstrijker'. [N 32, 33b; monogr.]
II-9
|
| 31852 |
holschaaf |
bolschaaf:
bǭlsxāf (L270p Tegelen),
holschaafje:
hǭlšē̜fkǝ (L270p Tegelen)
|
Schaaf met een over de breedte holvormig gebogen zool, die samen met de bolschaaf een bijeenhorend paar vormt. Zie ook afb. 46. De holschaaf wordt door de timmerman gebruikt om rond lijstwerk te schaven en door de wagenmaker om kleine spaken een ronde vorm te geven. [N 53, 71c; N G, 38a; monogr.]
II-12
|
| 24323 |
hom |
gritselkuit:
vrouwelijke kuit vd vis
grid’zelkóet (L270p Tegelen),
melkkuit:
mêlkkóet (L270p Tegelen)
|
hom || hom, mann. viszaad
III-4-2
|
| 24324 |
hommel |
hommelbij:
hŏmmelbie (L270p Tegelen)
|
hommel [DC 09 (1940)]
III-4-2
|
| 20524 |
homp brood |
homp:
hómp (L270p Tegelen)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19784 |
hond |
hond:
hoonk (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
hôngk (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hond
III-2-1
|
| 19782 |
hondenhok |
hondshok:
honkshok (L270p Tegelen),
hòngshok (L270p Tegelen)
|
hondenhok [DC 10 (1941)]
III-2-1
|
| 21622 |
honderd frank |
honderd frank:
Opm. auch = Bels of Belga.
hònderd frang (L270p Tegelen)
|
100 franc, een ~ (wit metaal) [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20614 |
honger hebben |
honger hebben:
ho.nger hebbe (L270p Tegelen),
honger hebbe (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
hónger hebbe (L270p Tegelen)
|
honger hebben [schrok hebbe] [N 10 (1961)] || hongerig [greeg] [N 10 (1961)]
III-2-3
|