| 20448 |
hoge hoed bij begrafenis |
hoge hoed:
hoëgenhood (L270p Tegelen)
|
hoed, hoge ~, gedragen bij rouwgelegenheden [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 32445 |
hoge klomp |
hoge klomp:
huǝgǝ [klomp] (L270p Tegelen)
|
Klomp met een hoge en lange, tot boven de wreef doorlopende kap. De klompopening sluit bij dit type klompen goed om de voet zodat er geen klompenriem nodig is. Zie ook afb. 259. Het woord(deel) klomp is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛklompɛ. De kapklomp die in en rond Venray (L 210) bekend was, was een luxe hoge klomp die versierd was met koperen spijkers. Hij was volgens het Venrays woordenboek (pag. 227), ondanks de hoge kap toch van een leren band voorzien en werd op zondag gedragen.' [N 24, 70b; monogr.]
II-12
|
| 18376 |
hoge klomp? |
boutje:
Vero. [NB: <ou> = tweeklank. Cfr. p. 3: De uitspraak van alle tweeklanken is in het Tegels gelijk aan die in het Nederlands]
boutjes (L270p Tegelen),
hoge klomp:
hoëge klômp (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hoge klompen zonder riemen voor kinderen || klomp met hoge huif, hoge klomp, zonder riem gedragen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18628 |
hoge pet met opstaand bovenstuk |
zijden muts:
zieje muts (L270p Tegelen)
|
pet met opstaand cylindervormig bovenstuk: het hoge model {afb} [hoge zeje] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18352 |
hoge rijgschoen |
rijgschoen:
riejsjoon (L270p Tegelen),
risjóon (L270p Tegelen)
|
rijgschoenen, hoge ~ voor dames [petiens, bottines] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18350 |
hoge schoen met elastieken tussenstukken |
bottine:
bottiens (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
schoenen, hoge ~ met elastieken tussenstukken in de schacht [boddekeens] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18349 |
hoge waterdichte schoen |
sneeuwschoen:
sjnieəsjoon (L270p Tegelen),
sjniësjoon (L270p Tegelen),
vetleren schoen:
vêtlaere sjóon (L270p Tegelen),
waterdichte schoen:
waterdichte schoon (L270p Tegelen),
waterdichte sjoon (L270p Tegelen)
|
schoenen, hoge waterdichte ~ met waterkap [snöwschoen, tongschoen] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33073 |
hok opbinden |
binden:
beŋǝ (L270p Tegelen)
|
Het leggen van een band om de koppen van de schoven als deze in een hok bijeengezet worden. Het voorwerp van het werkwoord is steeds "hok, stuik". De volgorde van de varianten van het type binden is zoals in het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). [N 15, 33; monogr.]
I-4
|
| 32205 |
holle ring aan de binnenzijde van de naaf |
ojief:
ojif (L270p Tegelen)
|
De holle ring aan de binnenzijde van de naaf, dus aan de kant van de as. Zie voor het woordtype ojief ook het lemma ɛojiefprofielɛ in de paragraaf over de vaktaal van de meubelmaker.' [N G, 43a, 3]
II-12
|
| 32203 |
holle ring aan de buitenzijde van de naaf |
hol:
hǫl (L270p Tegelen),
hǭl (L270p Tegelen)
|
De groef aan de buitenzijde van de naaf. Zie voor het woordtype verkeerde duivenjager, dat werd opgegeven door de respondent uit Eygelshoven (Q 119) ook het lemma ɛkwart-holvormig profielɛ in de paragraaf over de vaktaal van de meubelmaker.' [N G, 43a, 1]
II-12
|