| 30073 |
hoekzetter |
hoekbouwer:
hōk˱bǫwǝr (L270p Tegelen)
|
Metselaar die de hoeken van een bouwwerk opmetselt. Uit woordtypen als 'bekwame metser' (K 353), 'beste vakman' (Q 202) en 'vakman' (Q 121c) blijkt dat de hoekzetter een goed vakman moet zijn. Uit de opmerkingen van een aantal invullers wordt duidelijk, dat men in het onderzoeksgebied slechts zelden zonder profielen werkte. Dit laatste verschijnsel was vooral in Duitsland bekend. [N 31, 9d; monogr.]
II-9
|
| 22358 |
hoepel |
reep:
reip (L270p Tegelen),
rijp (L270p Tegelen),
réip (L270p Tegelen)
|
Hoepel van kinderen. [BN 03] || Hoepel.
III-3-2
|
| 22359 |
hoepelen |
repen:
reipe (L270p Tegelen),
/
reipe (L270p Tegelen),
Een ijzeren hoepel (reip) ter grootte van 50 à 80 cm doorsnede, werd voortgedreven door er met n kort stevig stokje tegen te slaan. Zon reip werd gewoonlijk door een der plaatselijke sjmeej (smeden) gemaakt van rond stafijzer ter dikte van 10 à 12 mm.
reipe (L270p Tegelen),
Het deksel van een schoensmeerdoosje, (soms ook wel het lege doosje zelf) werd in het midden van een gaatje voorzien. Door dit gaatje stak men een touwtje ter lengte van ruim 1 meter, en legde er achter de bovenzijde van het dekseltje een lus in op het uiteinde, in welke lus men vervolgens een lucifer strak aantrok. Deze dwarszittende lucifer verhinderde zodoende het loslaten van het touw.
reipe met `n wiksduëske (L270p Tegelen)
|
[Hoepelen met een schoensmeerdoosje]. || Het spelen met de hoepel. || hoepelen [SND (2006)] || Hoepelen.
III-3-2
|
| 18319 |
hoepelrok |
repenrok:
reiperok (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
hoepelrok [reekerok] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34619 |
hoepels van de huifkar |
huifrepen:
hufręi̯pǝ (L270p Tegelen),
repen:
ręi̯pǝ (L270p Tegelen)
|
Houten hoepels waarover de huif gespannen werd. De hoepels werden in krammen tegen de zijplanken bevestigd. Meestal waren er vijf, waarvan de voorste naar voren helde. [N 17, 74 + 99]
I-13
|
| 18018 |
hoesten |
hoesten:
hooste (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
kuchen:
kuche (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 32937 |
hoeveelheid hooi die men opsteekt |
gaffel:
gafǝl (L270p Tegelen)
|
De hoeveelheid hooi die de opsteker in één keer met z''n gaffel aangeeft aan de optasser. Zie voor het vocalisme van het woordtype riek de opmerking in de semantische toelichting bij het lemma ''houten schudgaffel'' en bij het lemma ''hooihark''.' [N 14, 118; A 34, 5a]
I-3
|
| 25414 |
hoeven verwijderen |
afhouwen tot onder de knieën:
āfhǫwǝ tūt oŋǝr dǝ knēn (L270p Tegelen)
|
Eerst wordt de gehele poot verwijderd van het lijf en dan worden later de hoeven van de poot gekapt. Het kan zijn dat sommige antwoorden eerder duiden op het begrip "poot verwijderen" dan op "hoef verwijderen". [N 28, 46; monogr.]
II-1
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
hoge schoen:
hoeəgə sjoon (L270p Tegelen),
hoëg sjoon (L270p Tegelen),
hoëg sjóon (L270p Tegelen)
|
herenschoenen, hoge ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18258 |
hoge hoed |
hoge hoed:
hoëgenhood (L270p Tegelen)
|
hoed, hoge ~, gedragen bij rouwgelegenheden [N 25 (1964)]
III-1-3
|