| 18399 |
hoed: spotnamen |
dots:
doets (L270p Tegelen),
betekenis: ironische naam voor `n minder geslaagd hoofddeksel
doets (L270p Tegelen),
stovenbuis:
sjtove-buus (L270p Tegelen)
|
doets, dots, kadots, in de betekenis van hoofddeksel; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || hoed, hoge ~: spotbenamingen [tarpot, titsj, hekteliter, böömert, handskow, kachelpiep, sjtief] [N 25 (1964)] || hoed: spotbenamingen [weerhaan, sjeuvel, sjtift, tups, teps, tips, tömps, döppe, tietsj, dinkerik] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 34212 |
hoeden van koeien |
hoeden:
hȳjǝ (L270p Tegelen),
hø̄jǝ (L270p Tegelen),
hø̜jǝ (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 12a; N M, 2; JG 1a, 1b; A 48, 18c; L 1a-m; L 27, 5; S 14; Wi 39; R; monogr.]
I-11
|
| 18624 |
hoedenspeld |
hoedenspeld:
hoode-sjpeld (L270p Tegelen)
|
speld op een dameshoed [heujespang] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 33804 |
hoef |
hoef:
hōf (L270p Tegelen),
voet:
vōt (L270p Tegelen)
|
Zie afbeelding 2.26. [JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 27, 6; N 8, 32.8 en 32.17; S 14]
I-9
|
| 34099 |
hoef van de koe |
hoef:
hōf (L270p Tegelen)
|
De hoef van de koe, in zijn geheel. [N 3A, 119a; JG 1a, 1b]
I-11
|
| 31598 |
hoefijzer |
hoefijzer:
hōf˱īzǝr (L270p Tegelen)
|
IJzeren hoefbescherming, meestal in de vorm van de onderrand van de hoef. Het hoefijzer wordt doorgaans met behulp van hoefnagels aan de hoef bevestigd. Zie ook afb. 221 en het lemma ɛhoefijzer met speciale vorm of uitrustingɛ.' [N 13, 84; N 33, 352; L 35, 104; L 27, 6 add.; JG 1a; JG 1b; monogr.; Vld.]
II-11
|
| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefstal:
hōfšta.l (L270p Tegelen)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 22871 |
hoekschop |
corner (eng.):
corner (L270p Tegelen)
|
Hoekschop. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
| 30074 |
hoeksteen |
hoeksteen:
hōkštęjn (L270p Tegelen)
|
Metselsteen die wordt gebruikt op de hoeken van metselwerk. Volgens de invuller uit L 210 is de maat van de hoeksteen afhankelijk van het soort metselverband. Het kan een hele steen zijn, maar meestal is het een 'drieklezoor', driekwart van een metselsteen. Zie ook het lemma 'Drieklezoor' in wld ii.8, pag. 74. [N 31, 9c]
II-9
|
| 29940 |
hoektroffel |
hoekbak:
hōk˱bak (L270p Tegelen),
hoektroffel:
hōk[troffel] (L270p Tegelen)
|
Metselwerktuig om hoeken te bepleisteren. Het blad van de hoektroffel is V-vormig gebogen en biedt op deze wijze de mogelijkheid een zuivere lijn van het pleisterwerk te verkrijgen. Zie afb. 1c. In K 278 kende men 'hoekpleisters' voor een buitenhoek ('vør nǝn˱ bø̜̄jtǝnhuk') en voor een binnenhoek ('vør nǝn˱ benǝnhuk'). Ook de invuller uit Q 83 maakt dit onderscheid. Volgens de invuller uit Q 198a wordt de hoektroffel niet gebruikt door de metselaar, wel door de stucadoor. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '-(troffel)' en '-(truweel)' het lemma 'troffel'. [N 30, 8b; monogr.]
II-9
|