| 23901 |
hiernamaals |
hemel:
heemel (L270p Tegelen)
|
Het hiernamaals, het namaals, het leven na dit leven. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20329 |
hij aardt naar zijn vader |
aardje wie vaartje:
aardje wie vaardje (L270p Tegelen),
hij lijkt op vader:
hè lèk op vaader (L270p Tegelen),
hij lijkt op zijn vader:
hè liek op zien vader (L270p Tegelen),
hij lijkt veel op vader:
hè lik veul op vaader (L270p Tegelen),
hij staalt op zijn vader:
hè sjtaalt op sien vader (L270p Tegelen),
hè sjtaalt op zien vader (L270p Tegelen)
|
naar zijn vader aarden; hij aardt naar zijn vader [DC 02 (1932)]
III-2-2
|
| 25429 |
hijswerktuig |
takel:
tākǝl (L270p Tegelen)
|
Hijswerktuig waarmee het rund omhoog wordt getakeld, voordat het verder verwerkt wordt. Ouder is het werken met touwen of kettingen over de balk in de schuur. Dit gebeurt met mankracht. Vergelijk het lemma ''ophijsen''. [N 28, 64; N 28, 65; N 28, 67]
II-1
|
| 18029 |
hik |
hik:
hik (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
hikkepik:
hikkepik (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hik [hibbik, hikkepik, hippik] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22774 |
hinkelen |
hinken:
hinke (L270p Tegelen),
kwabben:
Men tekende in t zand, op de stoep of op straat een vierkant, rechthoek of andere figuren en verdeelde deze in een aantal vakken van gelijke grootte. Afhankelijk van de grootte van de figuur of de ingewikkeldheid van het spel bedroeg dit aantal gewoonlijk 8 tot 16 vierkanten. Vervolgens werden deze genummerd, te beginnen bij 1.
kwabbe (L270p Tegelen),
Met krijt tekende men n in vierkanten verdeelde figuur. Al hinkende wordt dan n stuk pannescherf vooruitgeschoven. Men is áaf, als dit op een der krijtlijnen blijft liggen.
kwabbe (L270p Tegelen),
Waarbij binnen bep. vakken een houtje of steentje wordt voortgeschopt.
kwabben (L270p Tegelen)
|
[pag. 98: Kinderspel]. || hinkelspel [BN 06] || Kinderspel.
III-3-2
|
| 22776 |
hinkelperk |
perk:
Perke trêkke vur te kwabbe: met n stokje of pannescherf in de losse grond, ofwel met krijt op t asfalt of stenen bestrating lijnen trekken. (Zie voorts hfdst. "Kinderspelen").
perk (L270p Tegelen)
|
Streep, lijn.
III-3-2
|
| 33839 |
hinniken |
hinniken:
henǝkǝ (L270p Tegelen)
|
Het hoge keelgeluid dat een paard maakt. De klanknabootsende werkwoorden hummeren, himmeren en hommeren vertonen dezelfde klankwisseling als ruchelen, richelen en rochelen. [JG 1b, 2c; L B2, 291; L 22, 21; N 8, 47 en 65; S 5; Wi 57]
I-9
|
| 22838 |
hobbelpaard |
hobbelpaard:
hoepelpaerd (L270p Tegelen),
/
hoepelpaerd (L270p Tegelen)
|
hobbelpaard [SND (2006)] || Hobbelpaard.
III-3-2
|
| 18213 |
hoed |
hoed:
hoot (L270p Tegelen)
|
Deze hoed heeft een gele kleur [DC 42B (1967)]
III-1-3
|
| 18191 |
hoed (alg.) |
hoed:
ho.ət (L270p Tegelen),
hood (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hoed [RND] || hoed in het algemeen [doets, bikkel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|