| 23618 |
het zielboek aflezen |
het zielenboek aflezen:
et zeelebook aafleze (L270p Tegelen),
het zielenboek voorlezen:
et zeelebook veurleze (L270p Tegelen)
|
Het zielenboek aflezen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20678 |
hete bliksem |
appelenprut:
Syst. Veldeke
appeleprut (L270p Tegelen),
hete bliksem:
Syst. Veldeke
heite bliksem (L270p Tegelen),
heitem bliksem (L270p Tegelen),
Syst. WBD
heite bliksem (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Stamppot van appelen en aardappelen (appelprul, hemel en aarde, hete bleksem, onder en boven de tafel, hoog en laag?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20404 |
heten |
heten:
heite (L270p Tegelen)
|
heten [DC 37 (1964)]
III-2-2
|
| 32923 |
heukeling |
hoopje:
hø̜pkǝ (L270p Tegelen),
opper:
øpǝr (L270p Tegelen),
oppertje:
ø̜pǝrkǝ (L270p Tegelen)
|
Het kleinste hoopje halfdroog hooi dat men ''s avonds maakt door het opwerken van de rijen, om ze ''s anderendaags weer uiteen te gooien. De kaarten 40, 42 en 44, respectievelijk "heukeling", "hoop" en "opper" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 39, 41 en 43: "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 104 en 103 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 3a; A 42, 20a, L 36, 1; L 38, 38a; monogr.]
I-3
|
| 32924 |
heukelingen spreiden |
omstoten:
ø̜mštutǝ (L270p Tegelen),
uitereenbreken:
utręi̯nbrɛ̄kǝ (L270p Tegelen)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 29850 |
heulschop |
heulschup:
hø̄̄lšø̜p (L270p Tegelen)
|
Schop met lange steel om de wand van de kleiput uit te hollen. [monogr.]
II-8
|
| 28938 |
heupwijdte, zitwijdte |
onderwijdte:
oŋǝrwītǝ (L270p Tegelen),
votwijdte:
vǫtwītǝ (L270p Tegelen)
|
Maat gemeten om het dikste deel van het zitvlak, met voor heren twee vingers speling tussen de maatband en het lichaam. [N 59, 44d; N 59, 44c; N 62, 2b]
II-7
|
| 24912 |
heuvel, kleine hoogte |
heuvel:
heuvəl (L270p Tegelen),
hoogte:
hūūgtə (L270p Tegelen)
|
heuvel, natuurlijke verheffing van de aardbodem, lager dan een berg [bult] [N 81 (1980)] || hoogte, vlak stuk land dat hoger gelegen is dat het omliggende land [verhoogsel] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 17776 |
hiel |
hak:
hak (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
(vrijj = wreef, korte i gesl.).
hak (L270p Tegelen),
Note v.d. invuller (zie bijlage):
hak (L270p Tegelen)
|
voet: hak van de voet [vaesj, veers, hak] [N 07 (1961)]
III-1-1
|
| 18344 |
hielstuk van een schoen |
contrefort (fr.):
kônterfór (L270p Tegelen),
hakstuk:
haksjtök (L270p Tegelen),
hakštök (L270p Tegelen)
|
hielstuk [konterfort[ [N 24 (1964)]
III-1-3
|