| 32282 |
het vat met vuur verwarmen |
de ton stoken:
dǝ ton štǭkǝ (L270p Tegelen)
|
Het vat boven een brandend vuur plaatsen met als doel de duigen te verwarmen waardoor ze soepel en buigzaam worden en de kuiper het vat zijn ronde vorm kan geven. In een aantal plaatsen werd het vuur op een rooster of in een kachel aangelegd. De open onderkant van het vat werd vervolgens boven deze vuurhaard geplaatst. Zie ook het volgende lemma. [N E, 28b]
II-12
|
| 32280 |
het vat met water verwarmen |
de ton koken:
dǝ ton kǭkǝ (L270p Tegelen)
|
Het gehele vat, waarvan de ene helft al voorzien is van sluitbanden, in kokend water plaatsen of het vat met kokend water bestrijken. Op deze wijze worden de duigen aan de onderkant soepel en buigzaam gemaakt zodat de kuiper het vat zijn ronde vorm kan geven. Hij gebruikt daarvoor de kuipersvijs en/of de sluitbanden. Het koken van het vat werd vooral gedaan als er dikke duigen moesten worden bewerkt. In Heel (L 328), Kortessem (Q 74) en Maastricht (Q 95) was dit niet gebruikelijk. [N E, 28a]
II-12
|
| 32273 |
het vat opzetten |
opzetten:
ǫp˲zętǝ (L270p Tegelen)
|
De duigen met behulp van een voorlopige opzetband overeind zetten. De eerste duig die de kuiper plaatst wordt met behulp van een opzetklem vastgezet. Daarna worden de andere duigen binnen de opzetband geplaatst totdat de ring gevuld is. Dan kan de opzetklem verwijderd worden. [N E, 25]
II-12
|
| 25443 |
het vlees in stukken snijden |
uitereendoen:
ū.tręjn dōn (L270p Tegelen),
uitereensnijden:
ūtręjn šnī-jǝ (L270p Tegelen)
|
Als één der helften van het gekloofde dier verwerkt wordt, snijdt men deze eerst in enkele grote, wat handzamer stukken. [N 28, 98; monogr.]
II-1
|
| 25441 |
het vlees laten besterven |
afkoelen:
āfkø̄lǝ (L270p Tegelen),
versterven:
vǝrštɛrvǝ (L270p Tegelen)
|
Na het verwijderen der ingewanden e.d. en het schoonmaken laat men het vlees hangen om het te laten afkoelen en opstijven. De volgende dat wordt het verder verwerkt. Enerzijds is dit een eis van de keuringsdienst (eventuele ziektes e.d. zijn dan makkelijker te constateren), anderzijds komt dit besterven volgens velen de smaak van het vlees ten goede. [N 28, 95; monogr.]
II-1
|
| 21436 |
het volle bedrag |
de ganse pot:
de ganse poet (L270p Tegelen),
de hele klimbim (du.):
vgl. Venlo Wb. (pag. 166): kliembiem, de hele rimram.
den hiële klimbiem (L270p Tegelen),
de hele klimbims (<du.):
d`n hiële kliembiéms (L270p Tegelen),
de volle mep:
de volle mep (L270p Tegelen),
het volle bedrag:
⁄t volle bedraag (L270p Tegelen)
|
letterlijk alles || volle bedrag, de gehele som, zonder korting [de hele poet, de volle roefel, de hele paaj?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25558 |
het voorrijzen buiten de trog |
rijs:
rīs (L270p Tegelen),
voorrijzen:
vø̄rrīezǝ (L270p Tegelen)
|
De informant van P 56 vermeldt dat het deeg, wanneer het voorgerezen is in de trog of machine, op de bakkerstafel wordt overgebracht voor het narijzen. Sommige informanten beschouwen deze fase als een onderdeel van het voorrijzen. Deze tweede rijsbeurt vindt plaats op de bakkerstafel (Q 121e) of bank (Q 19, 198b) of in de rijskast (L 269). [N 29, 24c]
II-1
|
| 25557 |
het voorrijzen in de trog |
voorrijs:
vø̄rrīs (L270p Tegelen),
voorrijzen:
vø̄rrīzǝ (L270p Tegelen)
|
Volgens de informant van P 56 worden de grondstoffen in de trog of de machine gebracht. Eerst de bloem (± 50 kg). De gist (± 1 kg) wordt opgelost in water. Dit mengsel wordt op de bloem gegoten, waarin eerst een soort trechter is gemaakt. Dit alles laat de bakker ongeveer 15 minuten staan. Dit is dan wel het voorrijzen in de trog. [N 29, 24b; N 29, 24a]
II-1
|
| 19415 |
het vuur doven |
doven:
daoven (L270p Tegelen),
het veur dauve (L270p Tegelen),
uit laten gaan:
de kachel oet laote gaon (L270p Tegelen),
de sjtoof oet laote gaon (L270p Tegelen),
het veur oe‧t laote gaon (L270p Tegelen),
oet laote gaon (L270p Tegelen),
⁄t veur ōēt laote gaon (L270p Tegelen),
uitgaan:
laot de sjtoof maar ōēt gaon (L270p Tegelen)
|
doven, laten uitgaan, gezegd van vuur in de kachel [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 23801 |
het vuur wijden op paaszaterdag |
wijden van het vuur:
wiejje van et veur (L270p Tegelen)
|
Het gebruik om op Paaszaterdag het vuur te wijden. [N 96C (1989)]
III-3-3
|