| 34470 |
hen zonder staart |
bolvot:
bolvot (L270p Tegelen),
bolvots:
bolvots (L270p Tegelen)
|
[N 19, 62b; monogr.]
I-12
|
| 19511 |
hengsel |
hengel:
heŋəl (L270p Tegelen),
hingel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
hengsel:
hingsel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hengsel van emmer, ketel, etc || hengsel van waterketel van koper of ijzeren met hengsel en tuit (hengel, hengsel) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 33748 |
hengst |
hengst:
heŋs (L270p Tegelen)
|
Ongesneden mannelijk paard. [JG 1a, 1b; A 4, 2b; L 20, 2b; L 39, 42; L A1, 166; S 27; Wi 8; monogr.]
I-9
|
| 33944 |
hengstebit |
beugel:
bø̄gǝl (L270p Tegelen),
hengstegebit:
heŋstǝgǝbet (L270p Tegelen)
|
Bit met een beugel in plaats van een kinketting. [N 13, 50]
I-10
|
| 33757 |
hengstveulen |
hengstveulen:
heŋstvø̄lǝ (L270p Tegelen)
|
Het mannelijk jong van een paard. [JG 1a, 1b; N 8, 3a]
I-9
|
| 34440 |
herdershond |
herdershond:
hęrdǝrshoŋk (L270p Tegelen),
hęrdǝrshǫnt (L270p Tegelen),
schaapshond:
šǭpshoŋk (L270p Tegelen),
scheperhond:
šīǝpǝrhoŋk (L270p Tegelen),
schepershond:
šīpǝrshoŋk (L270p Tegelen)
|
Hond van verschillend ras die door de herder wordt gebruikt ter bewaking van de schaapskudde. [N 7, 68; N 78, 21a; L 6, 30; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 34438 |
herdersschopje |
schepersschupje:
šiǝpǝrsšø̜pkǝ (L270p Tegelen),
šīpǝršø̜pkǝ (L270p Tegelen)
|
Schop, stok of staf waarmee de herder zand of steentjes naar de schapen werpt om ze in het gelid te houden. [N 18, 11; N 78, 10a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 24675 |
herderstasje |
herderstasje:
herderstasje (L270p Tegelen)
|
gewoon herderstasje [DC 58 (1983)]
III-4-3
|
| 21129 |
herenfiets |
herenfiets:
hieërefiets (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt u in uw dialect: een rijwiel waar mannen op rijden [N 99 (1991)]
III-3-1
|
| 24894 |
herfst, najaar |
herfst:
den herfs(t) (L270p Tegelen),
herfs (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
najaar:
naojaor (L270p Tegelen)
|
herfst (bamis(tijd), natijd, uitgang) [DC 39 (1965)]
III-4-4
|