| 19648 |
hark |
hark:
herk (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt u de hark? (rijf, griesel) [N 104 (2000)]
III-2-1
|
| 33310 |
hark, algemeen |
hark:
hɛrǝk (L270p Tegelen),
reek:
rēk (L270p Tegelen),
ręi̯k (L270p Tegelen)
|
Gereedschap dat dient om uitgetrokken onkruid bijeen te trekken, afgevallen bladeren te verzamelen, de tuinpaden, het erf en het grind aan te harken, de grond fijn te maken, enz. Het bestaat uit een ijzeren kam van doorgaans ongeveer 30 cm breedte met korte licht gebogen tanden, bevestigd aan een lange steel. Bedoeld is hier het algemene stuk gereedschap dat met name in de moestuin en op het erf wordt gebruikt voor de vele boven opgesomde doeleinden. Specifieke harken met eigen benamingen komen in het lemma Bijzondere Harken aan bod. [N 18, 94; JG 1a, 1b, 2c; A 2, 44; A 28, 1a; A 34, 2a; L 1, a-m; L B2, 239; Lu 6, 1a; S 12; Gwn 8, 4; monogr.; add uit N 14, 97b; N 15, 4; N 18, 93 en 95; N J, 5]
I-5
|
| 33825 |
harmonisch van bouw |
gesloten:
gǝšlǭtǝ (L270p Tegelen),
getrokken:
gǝtrǫkǝ (L270p Tegelen),
kort:
kǫrt (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een goed gebouwd paard, met korte, gesloten en gevulde flanken. [N 8, 64a]
I-9
|
| 17780 |
hart |
hart:
hɛrt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hart [RND] || Holle spier in de borst die door pulserende bewegingen de bloedsomloop gaande houdt. [N 28, 88a]
I-11, III-1-1
|
| 22758 |
harten in het kaartspel |
harten:
herte (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt u van het kaartspel de verschillende symbolen? (Het gaat om de gewone namen, niet om woorden voor "troef"enz.). - II. Harten. [DC 52 (1977)]
III-3-2
|
| 32977 |
haver |
haver:
hāvǝr (L270p Tegelen)
|
Avena sativa L. Men zaait ongeveer 200 kg haver per hectare. Zie afbeelding 1, b. [JG 1a, 1b; A 2, 31; L 35, 101; L lijst graangewassen, 3; Wi 50; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 33386 |
haverkist, hakselkist |
hakselkist:
hɛksǝlkes (L270p Tegelen),
hɛksǝlkest (L270p Tegelen),
haverkist:
[haver]kes(t) (L270p Tegelen)
|
De kist of bak waarin men het droge voer, tegenwoordig de haver, voor het paard bewaart. Deze kist staat meestal in de voergang in de paardestal. Vroeger werden er vooral ook haksel, soms zemelen, geplette haver, kaf of melasse in bewaard. De kist kan door een tussenwand verdeeld zijn. In het ene vak bewaart men dan meestal haver, in het andere iets anders. Soms zijn er meer dan twee vakken. Achter in het lemma staan enkele benamingen bijeen voor dit tussenschot. In het lemma wordt achter de codecijfers zoveel mogelijk met een cijfer vermeld in hoeveel delen de kist verdeeld was en wat er nog meer in bewaard werd dan de in het eerste lid van de woordtypen genoemde voedselsoort. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (haver) het lemma "haver" in aflevering I.4, nr 1.2.5 [N 5A, 59c en 72b; JG 1a en 1b; monogr.]
I-6
|
| 34285 |
haverkorfje |
kop:
kop (L270p Tegelen),
maatje:
mø̜̄tjǝ (L270p Tegelen)
|
Korfje uit stro en twijgen gevlochten waarmee men haver voor het paard in afmeet. De inhoud is ongeveer 3 kg. Men bindt het ook wel aan de muil van het paard om te beletten dat het ergens aan vreet, bijvoorbeeld bij het maaien. [N 18, 112]
I-11
|
| 20675 |
havermout |
havermout:
Syst. Veldeke
havermout (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Syst. WBD
havermout (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Havermout [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20607 |
havermoutpap |
havermoutepap:
Syst. Veldeke
havermoutepap (L270p Tegelen),
Syst. WBD
havermoutepap (L270p Tegelen),
havermoutpap:
Syst. WBD
havermoutpap (L270p Tegelen),
havermoutsepap:
Syst. Veldeke
havermoutsepap (L270p Tegelen),
Syst. WBD
havermoutsepap (L270p Tegelen)
|
Pap van havermout (haavere moute pap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|